Het Interbellum (1918-1939)
In de jaren na de Eerste Wereldoorlog waren de betrekkingen tussen Nederland en Duitsland goed. Door de bepalingen van het Verdrag van Versailles was voor Duitsland slechts een bescheiden rol weggelegd in Europa. Aan de ene kant was men gerustgesteld dat een eventuele Duitse dreiging voor Nederland hierdoor was verdwenen. Aan de andere kant had de Nederlandse regering ook kritiek op het verdrag, omdat men bang was dat het evenwicht in Europa door een té zwak Duitsland eveneens zou kunnen worden verstoord.
De handelsbetrekkingen tussen beide landen, die door de oorlog een flinke klap hadden gekregen, verbeterden weer. Vanaf 1933, het jaar waarin Hitler in Duitsland de macht greep, kwam hier echter verandering in. De nationaal-socialisten verlegden de Duitse handel meer naar Zuidoost-Europa. Ook streefden de nazi's ernaar om Duitsland zoveel mogelijk in zijn eigen behoeften te laten voorzien. Voor Nederland betekende deze ontwikkeling dat de politieke betrekkingen met Duitsland geheel in het kader van bescherming van de handel kwamen te staan. Nederland deed er in de jaren na 1933 alles aan om de afzet van agrarische producten in Duitsland nog enigszins veilig te stellen. Het was hierbij van belang niet te veel kritiek te leveren op het beleid van de nazi's om de politieke en economische verhoudingen stabiel te houden. Dit was één van de redenen waarom Nederlandse politici over het algemeen terughoudend reageerden op de toenemende discriminatie van joden in Duitsland en de steeds agressievere buitenlandse politiek van Hitler.
Toen in 1939 de Tweede Wereldoorlog uitbrak, hield Nederland net als in 1914 vast aan de neutraliteitspolitiek. Zoals bekend hielp de neutraliteitspolitiek Nederland ditmaal niet. In mei 1940 viel het Duitse leger het land binnen en na vier dagen van strijd moest Nederland noodgedwongen capituleren.