© Duitsland Instituut Amsterdam Duitsland Instituut Amsterdam

De Duitse Democratische Republiek (1963-1974)

Algemeen

In het socialistische systeem begon het vanaf de jaren zestig te wringen. Uwe Johnsons 'Jakob' bleek slechts de voorloper van een grotere stroom twijfelaars en Querdenkers te zijn. De bouw van de Berlijnse Muur in 1961 en de toenemende onderdrukking maakten de mooie praatjes over de grote 'vriendenmaatschappij' ongeloofwaardig. Sommige auteurs verwelkomden de Berlijnse Muur en hoopten dat er nu een eigen onafhankelijke nationale literatuur zou ontstaan. In werkelijkheid flirtten bepaalde schrijvers meer dan ooit tevoren met westerse collega's en met moderne ideeën. Deze initiatieven werden echter al in 1963 door partijleider Ulbricht in de kiem gesmoord, wanneer hij in een rede verkondigde dat de auteurs absoluut niet met de 'decadente Westerse' literatuur mochten aanpappen. Het SED-regime zette deze dreigende woorden meteen om in een strengere praktijk die langzamerhand trekken van onderdrukking begon te vertonen. De schrijvers voelden zich steeds meer in een keurslijf geperst, nu ze zagen dat het systeem geen enkele ruimte open liet voor persoonlijke ontplooiing. Nu was de DDR-literatuur uit deze periode bij lange na niet zo revolutionair en tegendraads als die van de BRD. Wat vanaf circa 1960 in het Oosten verscheen, vertoonde overeenkomsten met het literaire klimaat in de Bondsrepubliek van de jaren vijftig. Het onpersoonlijke concept van de Bitterfelder Weg maakte plaats voor een existentialistische benadering met aandacht voor 'het hier en nu' van unieke individuen. Niet de aankomst in het socialisme stond centraal, maar de handhaving van het subject in het systeem. Met deze verschuiving naar een moderne thematiek ging een vernieuwing van de schrijftechnieken gepaard. De alwetende verteller had afgedaan, nu gluurde de lezer mee door de ogen van de hoofdpersoon.