© Duitsland Instituut Amsterdam Duitsland Instituut Amsterdam

De Duitse Democratische Republiek (1945-1949)

Antifascistische literatuur

Anna SeghersInhoudelijk knoopten meerdere schrijvers weer bij de antifascistische traditie van de jaren dertig aan. Nu, na de oorlogservaring, kwam het erop aan de bezem door de Duitse geest te halen en te werken aan een democratische staat en een humanistische gezindheid. Verrassend veel belangrijke schrijvers keerden na de oorlog naar de oostelijke zone terug om hieraan hun bijdrage te leveren. Onder hen bevonden zich ook redelijk veel niet-socialisten die een voorkeur voor de oostelijke zone hadden. Allen liepen warm voor de opbouw van een nieuwe Duitse democratische staat. In het naoorlogse proza was de oorlog het belangrijkste thema. Het eigen oorlogsverleden werd echter eenzijdig benaderd vanuit de overwinningsroes van het socialisme. Evenals in het Westen betrof het dikwijls ooggetuigeverslagen, waarin verder weinig werd gereflecteerd. Te denken valt aan T. Pliviers bestseller 'Stalingrad' en aan H. Fallada's 'Jeder stirbt für sich allein'. Ook verschenen er veel zogenaamde 'bekeringsstories' waarin bijvoorbeeld modelnazi's zich ontwikkelen tot overtuigde antifascisten, of waarin soldaten deserteren uit het Duitse leger (bijvoorbeeld W. Joho, 'Die Hirtenflöte'). Evenals in de westelijke zones vond er nauwelijks een diepe bezinning op het fenomeen fascisme plaats. Anna Seghers' roman 'Die Toten bleiben jung' (1949) vormde hierop een uitzondering. In dit werk wist zij de doorbraak van het fascisme in Duitsland in een breder historisch kader te plaatsen. Ook schetste zij op indrukwekkende wijze hoe SS-ers tegelijkertijd hoogbeschaafd en bruut konden zijn. De poëzie week op haar beurt niet echt van het geschetste patroon af. Men ontliep de hete brij en trachtte aan te knopen bij de wortels van het humanisme (J.R. Becher), of men ging op in landschapspoëzie (P. Huchel) en in het waarschuwen voor het fascistisch-kapitalistische gevaar (Brecht).
Bertholt BrechtHet theater kreeg pas weer een opleving toen Bertolt Brecht uit zijn ballingschap was teruggekeerd. Tot die tijd had men Brechts werk links laten liggen, hoewel hij de belangrijkste marxistische toneelschrijver uit de vooroorlogse tijd was. Dit kwam het theater niet ten goede, want de hoofdmoot van de toenmalige toneelstukken was vrij braaf. Ook op het gebied van de regie was het stilstand troef, aangezien men zich liet 'inspireren' door het Russische theater uit de jaren twintig. Toen Brecht in 1948 terugkeerde naar Berlijn legde hij zich in eerste instantie toe op het uitvoeren van de stukken die hij tijdens zijn Exil geschreven had. Dit waren drama's die vooral gingen over oorlog en revolutie ('Furcht und Elend des Dritten Reiches, Mutter Courageen Die Tage der Commune').