- Inleiding
- Duitse geschiedenis tot 1815
- Duitse eenwording: 1815-1871
- Keizerrijk: 1871-1888
- Keizerrijk: 1888-1914
- WO I: 1914-1918
- Weimar Republiek: 1919-1933
- Derde Rijk tot 1939
- WO II: 1939-1945
- Stunde Null: 1945-1949
- BRD Wirtschaftswunder: 1949-1966
- BRD Ostpolitik en RAF: 1966-1982
- BRD Kohl: 1982-1989
- DDR tot bouw Muur: 1949-1961
- DDR tot val Ulbricht: 1961-1971
- DDR onder Honecker: 1971-1989
- Hereniging: 1989-1990
Beurskrach en politieke instabiliteit
Weimar Republiek: 1919-1933
De beurskrach in New York van 1929 maakte op abrupte wijze een einde aan de 'bloei' van de Republiek van Weimar. Tijdens de verkiezingen van 1930 werd duidelijk dat twee anti-republikeinse partijen konden profiteren van de mondiale crisis: de communistische KPD en de NSDAP van Hitler.
Economische crisis
-
© Bundesarchiv, Bild 146-2003-002-22
-
Werklozen in Berlijn. Radicale partijen profiteerden van de crisis. Foto uit de jaren 1920-1930
Op 24 oktober 1929 ging de beurs in New York op ongekende wijze onderuit. Na deze zwarte donderdag volgde een wereldwijde economische crisis. Duitsland werd extreem hard getroffen omdat de vele leningen die in Amerika waren afgesloten nu moesten worden terugbetaald. Het percentage werklozen steeg binnen één jaar van 9 naar 16 procent. Talloze banken en bedrijven gingen failliet en de industriële productie stortte in. De Republiek van Weimar werd aan het wankelen gebracht door de economische rampspoed.
Tijdens de verkiezingen van 1930 werd duidelijk dat twee antirepublikeinse
partijen konden profiteren van de crisis: de communistische KPD en de NSDAP van
Hitler. De KPD klom van 54 naar 77 zetels. De NSDAP werd van een onbetekenende
splinterpartij - 12 zetels in 1928 - opeens de tweede partij van Duitsland met
107 zetels. Naast de economische crisis waren Hitlers redenaarstalent en de
vlijmscherpe propaganda van de NSDAP de belangrijkste oorzaken van dit succes.
De Republiek van Weimar kraakte in haar voegen: terwijl veel problemen
onoplosbaar leken bleef de politiek verdeeld. Meerderheidscoalities waren
onmogelijk geworden na de electorale aardverschuiving van 1930. Het politieke
gewicht verplaatste zich tussen 1930 en 1932 van de partijen en het parlement
naar president Von Hindenburg en zijn rechts-conservatieve adviseurs. De
president kon met behulp van artikel 48 van de grondwet min of meer alleen
regeren, omdat hij de bevoegdheid had zelf de kanselier aan te wijzen en ook nog
eens noodverordeningen uit te vaardigen. In 1930 benoemde hij Heinrich von
Brüning, een autoritaire katholiek, tot kanselier. Er werd tot 1932 vooral met
decreten geregeerd, vaak met gedoogsteun van de SPD.
Het parlement was versplinterd geraakt door de vele kleine partijen: er waren in 1930 acht partijen met minder dan twintig zetels, die samen bijna 20 procent van de stemmen hadden gekregen. Het straatbeeld werd steeds vaker bepaald door straatgevechten tussen communisten en nationaal-socialisten en ook de aanhoudende economische malaise liet haar sporen na.