Toerisme aan de kust
Duitsland heeft een gevarieerd kustgebied. Het kustgebied aan de Oostzee staat bekend om haar kuuroorden. Plaatsen als Rostock, Stralsund en Wismar zijn van oudsher populair. Ook de eilanden, Rügen en Usedom, weten veel toeristen te trekken. Aan de Westkant van de Duitse kust liggen de waddeneilanden. Deze eilanden zijn, net als de Nederlandse waddeneilanden, erg in trek bij toeristen.
Het toerisme in de drie Duitse deelstaten die aan de kust liggen is grotendeels afhankelijk van binnenlands toerisme. In Mecklenburg-Vorpommern is slechts een kleine vijf procent van de toeristen afkomstig uit het buitenland. Ook in de twee andere deelstaten, Niedersachsen en Schleswig-Holstein, komt niet meer dan tien procent van de toeristen uit het buitenland.
Het Duitse waddeneiland Norderney is vijftien kilometer lang en heeft 6.500 inwoners. Door de dichte bebouwing verschilt het eiland erg met de Nederlandse waddeneilanden. Norderney is volgebouwd met hotels, kuuroorden, gezondheidscentra, reformwinkels, apotheken, juweliers en banketzaken. Het eiland wordt totaal overspoeld met toeristen: het heeft zo’n veertigduizend overnachtingplaatsen en ontvangt per jaar ongeveer honderdduizend dagjesmensen.
Tegenovergesteld aan het volgebouwde Norderney is het eiland Spiekeroog. Op Spiekeroog is het toerisme te vergelijken met dat op Vlieland of Schiermonnikoog in Nederland: er wonen slechts 800 mensen en er zijn nauwelijks auto’s op het eiland. Er zijn geen autowegen en er worden geen fietsen verhuurd. Voor toeristen is er niet veel te doen: eigenlijk kan men er alleen wandelen. Door bewoners wordt het eiland ook wel het “eiland van de traagheid” genoemd. (Bron: National Geographic)
Het eiland Rügen heeft een groot aandeel in het toerisme in Mecklenburg-Vorpommern (gerekend naar het aantal overnachtingen): ongeveer 25 procent in 2003. Op dit eiland, het grootste van Duitsland, zijn veel badplaatsen en kuuroorden te vinden.
Binz is de grootste badplaats van het eiland. In 1893 werd hier het eerste kuurhuis geopend. Binz groeide al voor de Tweede Wereldoorlog uit tot één van de belangrijkste toeristische plaatsen aan de Oostzeekust. In de DDR-periode wist zij deze positie te behouden. Na 1990 raakte het toerisme in Binz, net als in de rest van Oost-Duitsland, in een tijdelijk dal. Dit kwam vooral doordat er vaak onduidelijkheid bestond over eigendomsrechten van toeristische voorzieningen. Een deel van de toeristische onderkomens werd gesloten. Al snel echter raakte de toeristische sector weer in een stroomversnelling. Veel verouderde hotels en pensions uit de DDR-tijd werden opgeknapt, zodat ze voldeden aan de eisen van de 'Westerse toerist'. Ook werden er veel nieuwe toeristische voorzieningen gebouwd. Het gevolg is dat er nu meer toeristen kunnen worden opgevangen dan voorheen; de beddencapaciteit is groter dan die in 1989.
Rügen ondervindt hevige concurrentie van de andere eilanden aan de Oostzeekust. Zo weet Usedom veel toeristen aan te trekken, vooral uit Berlijn. Ook op Rügen zelf is er echter veel concurrentie tussen de verschillende toeristische oorden. Deze concurrentiestrijd leidt ertoe dat de voorzieningen continu worden verbeterd. Dit heeft als gevolg, mede vanwege het feit dat veel toeristische onderkomens in de periode 1990-1995 zijn gebouwd of opgeknapt, dat de toeristische infrastructuur aan de Oostzeekust van Mecklenburg-Vorpommern moderner en beter is dan die aan de Oostzeekust van Sleeswijk-Holstein. De toeristische industrie in Sleeswijk-Holstein ondervindt hier de nadelige gevolgen van: het aantal toeristen in Mecklenburg-Vorpommern neemt toe, terwijl het aantal juist in Sleeswijk-Holstein daalt.