Waterhuishouding
Het verschil in watervoorziening tussen de BRD en de DDR was alleen om fysische redenen al groot: iedere West-Duitser had de beschikking over circa 2.800 m³ water per jaar, tegen 1.115 m³ voor iedere Oost-Duitser (in 2001 in geheel Duitsland: 2.280 m³ per jaar). Door de vervuiling van het grondwater in de DDR was dit verschil in werkelijkheid nog groter. Om de aanwezigheid van voldoende schoon (drink-)water te garanderen is het van groot belang om de aanwezige watervoorraad te zuiveren. Fabrieken mogen hun afvalwater dan bijvoorbeeld niet zomaar lozen in rivieren of ander oppervlaktewater, iets wat in de DDR op grote schaal gebeurde. Ook werd na 1990 geprobeerd meer huishoudens aan te sluiten op het riool. Dit was in de DDR lang niet vanzelfsprekend. Zo had in de deelstaat Saksen in 1990 slechts 55 procent van de huishoudens een rioolaansluiting. In heel Duitsland was dit negentig procent in 1991. De situatie in Nederland vertoonde in datzelfde jaar een minder positief beeld, 75 procent van de bevolking was op het riool aangesloten. Inmiddels is het percentage in Saksen opgeschroefd naar circa 89 procent (Bron: 2002, Umweltdaten Deutschland Online). Voor geheel Duitsland was dit 95 procent in 2001.
Het ruimtelijk beeld van de verdeling van de rioolaansluitingen over de bevolking laat (o.a.) twee patronen zien (zie onderstaande tabel). Ten eerste is het aansluitingspercentage het grootst in de kleinere urbane deelstaten (Bremen, Hamburg, Berlijn). Daarnaast is er ook een Oost-West-tegenstelling te ontdekken. De 'nieuwe' deelstaten staan onderaan in de tabel en de staten die vallen onder het voormalige West-Duitsland bovenaan.
Rioolaansluitingen per deelstaat in Duitsland, 2001
Bron: Statistisches Bundesamt, 2001
De watervoorraad is nu schoner dan in 1990, maar door bijvoorbeeld de bemesting in de landbouw zijn er nog altijd sterke schommelingen in de concentraties van schadelijke stoffen in het oppervlaktewater. Er moet hard worden gewerkt om dit terug te dringen en zo de drinkwatervoorziening veilig te stellen. Overigens is het waterverbruik per huishouden in (het voormalige) Oost-Duitsland sinds de eenwording sterk teruggelopen, terwijl die in (het voormalige) West-Duitsland gelijk is gebleven. In het oosten moet nu namelijk ook een reële en dus hogere prijs worden betaald voor het water: dit blijkt een reden te zijn om te gaan besparen op het waterverbruik.
De wateronttrekking uit de natuur is sinds 1991 sterk afgenomen. Omdat dit gepaard is gegaan met een toename van het BBP, betekent dit dat het water door consumenten en producenten steeds efficiënter wordt gebruikt. In de onderstaande figuur is dit te zien. De verhouding tussen het BBP en de wateronttrekking is tussen 1991 en 2001 sterk toegenomen. Dat betekent dat het BBP steeds hoger wordt vergeleken met de wateronttrekking. De verklaring voor de afname van de wateronttrekking ligt in de hogere waterprijs en de nieuwe technologieën.
