© Duitsland Instituut Amsterdam Duitsland Instituut Amsterdam

Bruinkoolwinning

BruinkoolfabriekBruinkool, dat in Nederland nergens in de grond zit, wordt in Duitsland al vanaf de veertiende eeuw gebruikt als bron van energie. Er zijn in Duitsland drie gebieden waar op grote schaal bruinkool wordt gewonnen. Dit zijn het gebied ten westen van Keulen (Rheinland), de omgeving van Leipzig (midden-Duitsland) en de streek rond Cottbus, ten noordoosten van Dresden (Lausitz). Bruinkool is een delfstof die op verschillende manieren het milieu zwaar belast. Ten eerste zorgt bruinkool voor veel luchtvervuiling, voornamelijk doordat er bij de verbranding veel zwavel de lucht in wordt gestoten.
Ten tweede heeft bruinkool een lage verbrandingswaarde. Dat wil zeggen dat er een grote hoeveelheid van moet worden verbrand om voldoende energie te verkrijgen. Aardgas en olie, maar bijvoorbeeld ook steenkool, hebben een hogere verbrandingswaarde. Ten derde wordt 90 procent van alle bruinkool gewonnen door zogenaamde dagbouw. Terwijl steenkool diep onder de grond zit en boven moet worden gehaald door schachten te graven (tot soms wel honderden meters diep), ligt bruinkool vaak aan de oppervlakte. Met grote graafmachines kan het van de oppervlakte worden geschraapt. Hierdoor leidt bruinkoolwinning tot ernstige landschapsvervuiling. Ook hebben hele dorpen het veld moeten ruimen, omdat ze op een voorraad bruinkool gelegen waren.
Daarnaast heeft de winning van bruinkool vaak ook invloed op het grondwaterpeil. Zo merken zelfs de boeren in Zuid-Limburg dat het bronwaterpeil daalt, omdat het water afvloeit naar de bruinkoolgebieden bij Keulen.

BruinkoolwinningIn alle drie de mijnbouwgebieden heeft de bruinkool een grote impuls gegeven aan de ontwikkeling van de industrie. Voor de traditionele, zware industrie was energie een zeer belangrijke productiefactor. Het was daarom van belang om zo dicht mogelijk bij de bruinkoolmijnen te zitten. Na de opdeling van Duitsland kwam het mijnbouwgebied bij Keulen in de Bondsrepubliek te liggen; de andere twee lagen op DDR-grondgebied. Dit heeft tot uiteenlopende ontwikkelingen geleid. In West-Duitsland was het belang van de bruinkoolwinning niet zo groot. Het doel was om de energievoorziening te spreiden om niet afhankelijk te zijn van één energiebron. Dit was ook mogelijk, omdat de Bondsrepubliek volledig geïntegreerd was in de wereldhandel. De energie kon dus worden geïmporteerd.

In de DDR was de situatie heel anders. Het land had slechts een beperkte hoeveelheid aan alternatieve energiebronnen, omdat het geïsoleerd was van de Westerse wereld. Er kon slechts in beperkte mate olie worden ingevoerd uit de Sovjet-Unie. De Sovjet-Unie exporteerde haar olie natuurlijk liever naar Westerse landen, om zo meer dollars of andere westerse valuta te verdienen. Op haar beurt probeerde de DDR niet te afhankelijk te worden van de Sovjet-Unie. Oost-Duitsland probeerde zoveel mogelijk in de eigen energiebehoefte te voorzien. Het gevolg was dat na 1945 de productie van bruinkool werd opgeschroefd. Tot 1989 was de DDR de grootste producent van bruinkool ter wereld; het land nam ongeveer 25 procent van de totale productie voor zijn rekening. Het werd gebruikt in energiecentrales, maar ook in veel huizen in de DDR stond een kachel die gestookt werd met bruinkool. Dit zorgde voor veel stankoverlast; de geur van bruinkoolkachels werd karakteristiek voor de DDR.
Daling van het grondwaterpeil, toename van de SO²-uitstoot (zwaveldioxide -veroorzaakt zure regen) en grootschalige verwoesting van het landschap waren het voor het milieu desastreuze gevolg van de grootschalige bruinkoolwinning.
In de periode 1989-90 veranderde er veel, ook voor de bruinkoolwinning. Direct na de eenwording werd de vervuiling door deze mijnbouwtak niet meer geaccepteerd. Dit had een spectaculaire daling van de bruinkoolproductie tot gevolg (zie onderstaande figuur). Vooral de productie in midden-Duitsland en Lausitz is afgenomen. In de figuur worden onder de overige gebieden de locaties in Helmstedt, Hessen en Bayern gerekend. 

Duitslandweb
feed link