Noord-Duitse laagland
In het noorden van Duitsland ligt een laagland, met een licht glooiend landschap. Het Noord-Duitse laagland maakt onderdeel uit van het Oost-Europees laagland, dat zich uitstrekt van de Baltische staten, langs de kusten van Polen en Duitsland tot de noordelijke provincies van Nederland. In het noorden wordt het laagland duidelijk afgegrensd door de Noord- en Oostzeekust. De eilanden die voor deze kust liggen - waaronder Rügen, met 926 km² het grootste eiland van Duitsland - behoren ook tot het laagland. In het zuiden wordt het laagland begrensd door verscheidene middelgebergten.
De bodem van het laagland is gevormd tijdens de ijstijden. Dit heeft grote invloed gehad op onder meer de bodemsoorten die in het laagland te vinden zijn. In het noorden ligt een strook van vruchtbare leemgronden. Dit gebied is erg geschikt voor de landbouw. Verder in het zuiden bevindt zich een strook van minder vruchtbare zandgronden. Deze strook is voor een deel met heide bedekt (zoals de Lüneburger Heide). Rondom Maagdenburg, ten slotte, ligt een strook met het vruchtbare Löss, dat ook in Zuid-Limburg in Nederland te vinden is.
De ijstijden hebben niet alleen effect gehad op de bodemsoorten, maar ook op de vorming van het landschap. De lichte glooiing van het landschap is een gevolg van de stuwing van de ijskap. Daar waar het ijs ophield, zijn kleine heuvelruggen (stuwwallen) ontstaan. In het Noord-Duitse laagland zijn die onder meer te vinden in Mecklenburg-Vorpommern, net ten zuiden van de Oostzeekust. Dit gebied is rijk aan meren en bossen.
Een ander landschappelijk gevolg van de ijstijd zijn de zogenaamde 'oerstroomdalen'. Dit waren vroeger de rivierbeddingen die het smeltwater van de ijskap afvoerden. Nu zijn ze slechts nog zichtbaar als iets lager liggende stroken in het landschap. Sommige zijn wel twintig kilometer breed.