Woningmarkt
Het grootste verschil tussen de woningmarkt in de Bondsrepubliek en die in de DDR was ongetwijfeld de wijze waarop zij functioneerde. In West-Duitsland ging men uit van het vrije marktprincipe.Veel Duitse families kochten een huis, en waren dus zelf eigenaar. In Oost-Duitsland daarentegen beschouwde men een woning niet zozeer als bezit, maar als een publiek goed en dus moest de overheid zorg dragen voor de huisvesting van de bevolking. De overheid ging zich bezighouden met de verdeling van huizen. Naar verhouding waren dan ook veel huizen in handen van de staat. Iedereen had recht op een woning. Iemand die van dit recht gebruik wilde maken, moest hiervoor een aanvraag indienen bij het huisvestingsbureau van de overheid. Op basis van de grootte van het gezin en de leeftijd van de kinderen werd bepaald welke woning men kreeg toegewezen. Aparte woonwijken voor verschillende bevolkingsklassen, zoals de arbeiders of de elite, pasten niet bij het socialistische ideaal. Een professor hoorde naast een fabrieksarbeider te kunnen wonen. Ruimtelijke scheiding van verschillende inkomensklassen (ruimtelijke segregatie) kwam dan ook nauwelijks voor in de DDR. In West-Duitsland was dit, net als in Nederland, wel veel gebruikelijker. In de onderstaande figuur is de zien dat in Oost-Duitsland de door de communistische beleid ontstane huursector vandaag de dag nog steeds opvallend groot is. Dat blijkt als de vergelijking gemaakt wordt met West-Duitsland en Duitsland als geheel. Ook een vergelijking met een derde referentiegebied (Nederland) bevestigt dit beeld. 