Duitsland Filmland
1920-1950
In de jaren twintig en het begin van de jaren dertig was de Duitse film zeer succesvol. De regisseurs Fritz Lang en Ernst Lubitsch (o.a. 'Ninotschka') genoten wereldfaam. Het succes van de filmklassieker 'Metropolis' van Fritz Lang uit 1927 maakte de weg vrij voor de eerste generatie geluidsfilms, die Duitsland groot maakte. Marlène Dietrich behaalde in 1922 haar eerste succes in de Duitse film, maar brak pas in 1930 definitief door met haar rol in 'Der blaue Engel'(naar het boek 'Professor Unrat oder Das Ende eines Tyrannen' van Heinrich Mann). Deze film was één van de eerste internationale Duitse succesfilms en maakte Dietrichs oversteek naar Hollywood mogelijk, waar ze uitgroeide tot één van de meest bewonderde actrices van de eeuw.
Het nazi-regime maakte echter abrupt een einde aan de glansrijke periode van de Duitse cinema. De film werd net als de andere media door de nazi's 'gelijkgeschakeld'. Dit betekende dat kunstenaars (een zeer ruim begrip voor de nazi's, zelfs grammofoonplatenhandelaars vielen hieronder) werden beoordeeld op hun politieke betrouwbaarheid en de film werd in dienst van de nazi-propaganda gesteld. Minister van Propaganda Joseph Goebbels zorgde in 1942 met zijn nationalisering van de Duitse filmindustrie voor een enorme uitbreiding van de Duitse filmmarkt. In de bezette landen werden alleen nog maar Duitse films vertoond. In 1933 trok de Duitse film 250 miljoen bezoekers en dit aantal steeg tot één miljard in 1942. Alleen in Frankrijk, waar de Duitse film werd geboycot, mochten onder strenge regels films worden gemaakt.
Veel regisseurs en acteurs konden hun vak ook niet meer uitoefenen en vluchtten naar het buitenland. Dit zorgde er onder andere voor dat na de Tweede Wereldoorlog de Duitse film nooit meer dezelfde positie verkreeg als in de jaren twintig. De zogenaamde 'Heimatfilms', typische jaren vijftig feel good-movies in een prachtige landschappelijke setting, genoten in eigen land nog wel grote populariteit, maar de internationale faam kwam niet meer terug.
De jaren zestig worden door veel kenners als destastreus voor de Duitse film gekarakteriseerd. De televisie had ervoor gezorgd dat heel wat bioscopen de deuren moesten sluiten. Publicist Joe Hembus, die een boek over de Duitse film van 1960 tot 1980 heeft geschreven, zei over de Duitse film in de jaren zestig het volgende: "Er ist schlecht. Es geht ihm schlecht. Er macht uns schlecht. Er wird schlecht behandelt. Er will auch weiterhin schlecht bleiben."