Toelatingscriteria voor de EMU
Om toe te kunnen treden tot de EMU dient een lidstaat aan een aantal criteria te voldoen.
De belangrijkste criteria zijn:
- Het schuldcriterium: de staatsschuld mag hoogstens 60 procent van het bruto binnenlands product (BBP) beslaan.
- Het tekortcriterium: het begrotingstekort mag niet meer dan 3 procent van het BBP bedragen.
- Inflatiecriterium: de inflatie mag, gemeten over één jaar, niet meer dan 1,5 procent boven die van de drie beste lidstaten liggen.
- De langetermijnrente mag, gemeten over één jaar, niet meer dan 2 procent boven die van de drie beste (economisch) presterende lidstaten liggen.
In de jaren vóór 1999 heeft Duitsland zich enorme inspanningen moeten getroosten om aan deze toelatingscriteria te voldoen. Dat kwam vooral doordat de kosten van de Duitse eenwording veel hoger waren dan aanvankelijk voorzien. Daarnaast viel de groei van de Duitse economie behoorlijk tegen. Duitsland heeft altijd een harde opstelling ingenomen bij de hiervoor genoemde criteria. Vandaar dat het ook zelf fors moest bezuinigen. Uiteindelijk is het Duitsland gelukt om aan de vereiste criteria te voldoen. Twaalf landen (België, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Spanje) vormen sinds 1999 de Economische en Monetaire Unie (EMU). Deze landen hebben samen één munt ingevoerd: de euro. Tot 2002 bestond de euro alleen giraal. De onderlinge wisselkoersen van elf eurolanden zijn sinds 1 januari 1999 aan de euro en daarmee aan elkaar gekoppeld. Griekenland is met ingang van 1 januari 2001 tot deze groep toegetreden. Sinds 1 januari 2002 heeft de euro de nationale valuta vervangen.
De Europese Centrale Bank stuurt sinds 1 januari 1999 het centrale monetaire beleid in de EMU. De twaalf EMU-landen voeren een nationaal, maar gecoördineerd economisch beleid. De individuele lidstaten hebben dus de mogelijkheid om budgettair en structureel beleid af te stemmen op de specifieke situatie in hun land. De combinatie van een nationaal, maar gecoördineerd economisch beleid en een centraal monetair beleid moet leiden tot diepgaande integratie van de lidstaten van de Europese Unie. De benoeming van de eerste president van de ECB zorgde overigens nog voor de nodige problemen. Frankrijk zag de voornaamste kandidaat - de Nederlander Wim Duisenberg - als een te 'Duitse', dat wil zeggen te 'strikte' kandidaat, en probeerde met een tegenkandidaat een aantal jaren van Duisenbergs presidentschap af te snoepen. Het is dan ook zeer spannend om te zien hoe de lidstaten in de toekomst met financiële problemen in de EMU om zullen gaan. Sinds 2003 is de voormalige gouverneur van de Franse centrale bank, Jean-Claude Trichet, president van de ECB.