© Duitsland Instituut Amsterdam Duitsland Instituut Amsterdam

Algemeen

Wim DuisenbergAl vrij snel na de totstandkoming van de EEG werd in het midden van de jaren zestig geopperd om te komen tot een gemeenschappelijk economisch beleid en de creatie van een Europese munt. In 1970 werd daarvoor het plan-Werner gelanceerd. Door de oliecrisis en de sterk verschillende reacties van de Europese landen op de slechte toestand van de economie, werd dit plan niet ten uitvoer gebracht. Vanaf 1979 werd er weer beter samengewerkt. Dat resulteerde in de oprichting van het Europees Monetair Systeem (EMS). Vanaf dat moment werden de valuta van twaalf Europese landen aan elkaar gekoppeld om de monetaire samenwerking tussen de lidstaten te bevorderen. De koersen waren echter niet vastgelegd, zoals dat op dit moment wel het geval is.

In april 1989 verscheen een rapport van een commissie onder leiding van Jacques Delors. Dit rapport schreef een voltooiing van een Europese Monetaire Unie (EMU) in drie fasen voor. Na in de eerste fase te zijn gekomen tot een samenwerking tussen de nationale banken en vervolgens de oprichting van een Europees stelsel van Centrale Banken (ESCB) te hebben bewerkstelligd, moesten in de derde fase de koersen van de valuta worden vastgelegd en kon een gemeenschappelijke munt worden ingevoerd. Enkele Europese landen grepen deze monetaire samenwerking aan om een einde te maken aan de overheersende positie van de Bundesbank binnen het EMS. De Duitse mark vervulde binnen het EMS namelijk een spilfunctie. Daardoor bepaalde de Bundesbank voor een belangrijk deel het monetaire beleid in de andere landen, die dat met lede ogen aanzagen. Dit verklaart ook voor een deel de strijd om de topfuncties binnen en het beleid van de Europese Centrale Bank (ECB) in Frankfurt. De Duitsers wilden dat de ECB zoveel mogelijk leek op de Bundesbank - met een strak beleid dat er sterk op gericht is om de inflatie binnen de perken te houden. Zij vreesden anders een zwakke euro.

Dat juist Duitsland de monetaire unie zo nastreeft, is terug te voeren op de opvatting van Kohl dat Duitsland zijn vrede, veiligheid en economische voorspoed voor een groot deel te danken heeft aan het Europese integratieproces. In dat licht moet ook de uitspraak van bondskanselier Kohl gezien worden om de invoering van de euro te betitelen als een zaak van 'oorlog of vrede' in de 21ste eeuw. Het al dan niet slagen van de EMU is (grotendeels) afhankelijk van Duitsland en Frankrijk, simpelweg omdat de economische systemen van beide landen een zeer belangrijke rol spelen binnen de Europese handel.