© Duitsland Instituut Amsterdam Duitsland Instituut Amsterdam

Wederopbouw en Wirtschaftswunder (1949-1965)

De West-Duitse economie kwam na de Tweede Wereldoorlog moeizaam op gang. Het land, de grote steden en de infrastructuur waren grotendeels verwoest. Veel mensen waren gedwongen te verhuizen en er was een groot tekort aan voedsel, grondstoffen en energie. Niemand vertrouwde de Reichsmark nog en handel met het buitenland bestond niet meer. Het duurde tot 1947 voor de eerste verbeteringen zichtbaar werden. Het herstel van de infrastructuur - de wegen, spoorwegen en kanalen - en van de mijnen speelde hierbij een zeer belangrijke rol. De grote doorbraak kwam uiteindelijk in juni 1948, toen de D-Mark werd geïntroduceerd en de meeste rantsoeneringsmaatregelen werden afgeschaft.

Währungsreform / Foto: Bundesbildstelle BonnVanaf dat moment maakte de Duitse economie een periode van ongekende groei door, mede ondersteund door de Marshall-hulp. De hulp was goed voor in totaal 1,4 miljard dollar tussen 1948 en 1952. Het economisch herstel was onlosmakelijk verbonden met Ludwig Erhard. Zijn uitgangspunt was dat de economie zou worden gestimuleerd door vraag en aanbod vrij spel te geven. De overheid diende alleen de randvoorwaarden voor de economie te creëren. Deze filosofie lag ten grondslag aan de eerste regering van de Bondsrepubliek, met Konrad Adenauer als bondskanselier en Ludwig Erhard als minister van Economische Zaken.
Na 1950 kreeg de Duitse economie vanwege de Korea-crisis een nieuwe impuls. Het Bruto Binnenlands Product (BBP) steeg van 1951 tot 1959 met gemiddeld 8 procent per jaar. De werkloosheid was aanvankelijk nog zeer hoog, maar nam snel af en bereikte rond 1960 zelfs extreem lage waarden (minder dan 1 procent van de beroepsbevolking). Deze gunstige ontwikkelingen waren onder meer te danken aan de volgende factoren: de Duitse arbeidsmoraal (iedereen wilde hard werken aan de wederopbouw), de enorme toestroom van mensen uit de DDR  en de vroegere Duitse gebieden in Polen en Rusland (meer mensen die konden werken), het relatief hoge opleidingsniveau, de aanwezigheid van grondstoffen (o.a. de grote hoeveelheid steenkool in het Ruhrgebied) en de snelle liberalisering van de buitenlandse handel. Dit alles samen zorgde ervoor dat het vertrouwen in de West-Duitse economie snel groeide, zowel in binnen- als buitenland.

In 1951 kwam de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal tot stand. Daarin kwamen Frankrijk, Italië, de Benelux-landen en West-Duitsland een gezamenlijk beleid voor de politiek gevoelige en economisch belangrijke kolen- en staalsector overeen. Mede gestimuleerd door de daarbij bereikte successen, werd vervolgens gestreefd naar een verbreding van de economische samenwerking. Met de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap in 1957 (ondertekening van het Verdrag van Rome) kreeg de integratie van West-Duitsland in Europa een belangrijke impuls. Ludwig Erhard / Foto: Bundesbildstelle BonnNiet alleen de Duitse bedrijven ging het voor de wind, de economische groei was ook merkbaar voor Otto Normalverbraucher (Jan met de pet / Jan Modaal). De toegenomen welvaart stelde de burgers in staat om nu ook luxegoederen als koelkasten, auto's en televisies te kopen. Het was dan ook niet verwonderlijk dat Ludwig Erhard, die als grondlegger van dit succes beschouwd werd, Konrad Adenauer opvolgde als bondskanselier in 1963. De economie begon in het midden van de jaren zestig echter vermoeidheidsverschijnselen te vertonen.

Duitslandweb
feed link