Keynesiaans interventionisme (1966-1982)
Rond 1965 kwam er een einde aan het Wirtschaftswunder. De gemiddelde economische groei, begin jaren zestig nog 5 procent, zakte naar 2,8 procent per jaar. De werkloosheid liep op tot bijna een half miljoen (2,1 procent van de beroepsbevolking). Geleidelijk aan begon de Duitse economie weer in de pas te lopen met de andere Westerse economieën. Vele regeringen in Europa vertrouwden op het Keynesiaanse beleid: om een recessie in hun land tegen te gaan, grepen zij actief in met zogenaamde 'anti-cyclische' maatregelen. Dit hield in, dat wanneer het economisch niet goed gaat in het land de overheid juist meer gaat besteden, om zo de economie te stimuleren. De Duitse regering wilde echter geen actievere rol innemen en toen in 1965 het begrotingstekort opliep werd er zelfs bezuinigd. Het gevolg was dat de recessie zich nog verscherpte. Daardoor verspeelde Erhard zijn krediet bij de Duitse bevolking. Dat maakte de weg vrij voor een nationale grote coalitie, waarin de CDU/CSU en de SPD de regering vormden. Kurt Georg Kiesinger werd de bondskanselier en Karl Schiller minister van Economische Zaken. Laatstgenoemde was voorstander van een Keynesiaans georiënteerd beleid. Daarnaast introduceerde hij de konzertierte Aktion, waarbij overheid, werkgevers en werknemers, en de Bundesbank probeerden tot een gezamenlijk gedragen economische politiek te komen. Hoewel dit streven weinig succesvol was, bloeide de economie toch weer sterk op.
Na de verkiezingen van 1969 slaagde de SPD erin om zonder de CDU/CSU een regering te vormen. De economische politiek van deze regering onder leiding van SPD-bondskanselier Willy Brandt kenmerkte zich wel degelijk door Keynesiaans interventionisme. Daartoe behoorden in zijn ogen ook investeringen in de infrastructuur, communicatiemiddelen, het onderwijs en de gezondheidszorg. De economische groei was in die jaren bovengemiddeld. Tegelijk namen de slechte voortekenen wel weer toe. De inflatie liep steeds meer op, aangewakkerd door een loongolf die in 1969 doorbrak. De internationale monetaire verhoudingen raakten uit het lood na de teloorgang van het Bretton Woods systeem, het systeem waarin de valuta van veel Europese landen aan de dollar waren gekoppeld. De Europese integratie verliep nu ook moeilijker. Klap op de vuurpijl was de oliecrisis van 1973 en de daarop volgende recessie in de wereldeconomie.
Inmiddels had Helmut Schmidt in 1974 Willy Brandt opgevolgd. Het Keynesiaans interventionisme bleef ook onder Schmidt voortbestaan tot aan het begin van de jaren tachtig. In toenemende mate leverde dit problemen op met het monetair beleid van de Bundesbank. Volgens de centrale bank leidde de regeringspolitiek tot een opdrijving van de inflatie, ook door de te hoge financieringstekorten. De overheid zou juist moeten bezuinigen in plaats van een stimulerende rol te spelen. In een tijd dat de groei stagneerde en de werkloosheid vanwege de tweede oliecrisis sterk opliep was dat voor de SPD politiek niet haalbaar. Toen dat dus onvoldoende gebeurde, was de val van de regering-Schmidt niet meer te vermijden. Op Europees vlak was ondertussen in 1979, op initiatief van Frankrijk en Duitsland, het Europees Monetair Stelsel (EMS) opgericht. Het EMS had als doel te sterke koersschommelingen van de Europese valuta tegen te gaan.