De sociale markteconomie in de Bondsrepubliek
Duitsland behoort sinds geruime tijd tot de leidende industrielanden. Gerekend naar de omvang van het Bruto Nationaal Product (BNP) en de handel staat Duitsland op de derde plaats in de wereldrangorde (OECD 2004) Ook behoort (West-)Duitsland al jaren tot één van de grootste exportnaties ter wereld.
Daar zag het direct na de
Tweede Wereldoorlog niet
naar uit, toen het land volledig in puin lag. De economie van de Bondsrepubliek
Duitsland (opgericht in 1949) heeft dan ook een opmerkelijke groei doorgemaakt.
De Duitse economische ordening wordt aangeduid met het begrip sociale markteconomie (Soziale Marktwirtschaft). De politieke vader van de term Soziale Marktwirtschaft is oud-minister van Economische Zaken Ludwig Erhard. Hij introduceerde in 1948 een nieuwe economische ordening: de sociale markteconomie. Het achterliggende idee is dat de markt pas dán zijn werk goed doet, als de overheid zorgt voor voldoende concurrentie en bovendien oog heeft voor rechtvaardige en sociale oplossingen. In de Duitse grondwet is vastgelegd dat de markt aan sociale grenzen is gebonden. Het motto van de sociale markteconomie in de Bondsrepubliek is: "Zo min mogelijk overheid, zo veel overheid als noodzakelijk." De introductie van de sociale markteconomie betekende een fundamentele doorbraak in de West-Duitse economie. Ze maakte competitieve krachten los waardoor het Wirtschaftswunder mogelijk werd.
De Soziale Marktwirtschaft komt naast de economische politiek tot uitdrukking in de economische wetgeving en instituties. Hierbij moet worden gedacht aan:
- Concurrentiewetgeving (bijvoorbeeld het kartelverbod)
- Marktregulering (o.a. winkelsluitingswetten)
- Onafhankelijke positie van de Bundesbank met betrekking tot het monetair beleid
- Stelsel van sociale zekerheid (o.a. werkloosheidsuitkering)
- Tarifautonomie van werkgevers en werknemers: cao-onderhandelingen zonder beïnvloeding van de overheid
- Het systeem van Mitbestimmung: in elke onderneming moet een derde deel van de raad van commissarissen uit gekozen werknemers bestaan, in de zware industrie zelfs de helft
In de naoorlogse geschiedenis van de economische politiek van West-Duitsland tot 1990 zijn ruwweg drie periodes te onderscheiden:
- 1949-1965: Wederopbouw en Wirtschaftswunder
- 1966-1982: Keynesiaans interventionisme
- 1983-1990: Van vraag naar aanbod