Europese integratie
Op
het gebied van de Europese integratie benadrukte
Kohl het belang van
uitbreiding en verdieping van de
Europese Gemeenschap. De
intensieve samenwerking met Frankrijk was (en is) hierbij van groot belang voor
de Duitsers, omdat niet de indruk gewekt mocht worden dat Duitsland de zaakjes
op eigen houtje regelt in Europa. Tijdens de conferentie van Maastricht in 1991
maakten de Europese leiders op Frans-Duits initiatief afspraken over het
oprichten van een monetaire unie voor het jaar 2000. Vooral Duitsland heeft erop
gehamerd dat er strenge normen moesten worden gesteld voor deelname aan de
gemeenschappelijke Europese munt. Kohl had het in eigen land anders geenszins
kunnen verantwoorden om de stabiele D-Mark, het symbool van (verenigde)
nationale trots, in te wisselen voor een zwakke Euro. Hoewel het voor landen
zoals Italië niet gemakkelijk is geweest, hebben zich in mei 1998 elf landen
gekwalificeerd voor de Euro en in juni 2000 voldeed ook Griekenland aan de
eisen. Op 1 januari 2002 is in twaalf landen de Euro ingevoerd.
Onder leiding van bondskanselier Gerhard Schröder (SPD) heeft Duitsland een meer zelfbewuste houding aangenomen tegenover het proces van Europese integratie. Hoewel de Bondsrepubliek onverminderd voorstander is van Europese samenwerking, probeert zij wel meer gebruik te maken van haar toegenomen gewicht sinds de Duitse eenwording. Zo streeft Duitsland, net als Nederland, naar een herziening van het stelsel van landbouwsubsidies van de Europese Unie, dat onder druk zal komen te staan indien de Unie in 2004 wordt uitgebreid met tien voormalige Oostblok-landen. Frankrijk, dat samen met Duitsland traditioneel de motor van de Unie vormt, verzet zich tegen een herziening. De toekomst van de Europese Unie zal voor een groot deel afhangen van de manier waarop Frankrijk en Duitsland dergelijke meningsverschillen oplossen.