In de val van de vredesretoriek
Duitsland in Afghanistan
8-mrt-2007
Voor de
NAVO
is de stabilisatie van Afghanistan een test case die moet aantonen dat
het bondgenootschap ook in het post-Koude Oorlogtijdperk nog relevant is. Nadat
de NAVO in de herfst van 2003, overigens op Duits initiatief, de leiding van
ISAF op zich nam en besloot om buiten Kaboel stapsgewijs Provincial
Reconstruction Teams (PRT’s) in te stellen, is het geweld tegen de
internationale troepen toegenomen. Vooral in Zuid-Afghanistan, waar ISAF sinds
2006 opereert, is de tegenstand zwaar. De slachtoffers aan NAVO-zijde, vooral
Britse en Canadese militairen, doen de discussie oplaaien over solidariteit in
het bondgenootschap – en terecht. Hoewel formeel geen sprake is van collectieve
zelfverdediging in Afghanistan, spreekt het voor zich dat de ‘nieuwe NAVO’
alleen een bestaansrecht heeft als alle landen bereid zijn om naar rato bij te
dragen aan de militaire risico’s.
Onenigheid
Ook voor Duitsland is de wederopbouw van Afghanistan vanaf het begin een belangrijk issue. Duitsland wierp zich in 2001 op als gastheer voor de VN-conferentie over de toekomst van Afghanistan op de Petersberg in Bonn. Ook is Duitsland een van de belangrijkste voorvechters van de opbouw van een politiemacht die mensenrechten respecteert en binnen het kader van de wet opereert. Daarnaast speelde het land een sleutelrol bij de militaire ondersteuning van het nieuwe democratische regime vanaf 2002. Met bijna drieduizend militairen in het Noorden van Afghanistan levert Duitsland de op twee na grootste bijdrage aan ISAF. Op zich lijkt het Duitse engagement dus samen te vallen met de ambities en doelstellingen van de NAVO. Maar helaas toont het debat in Duitsland over de Afghanistan-inzet aan dat er aanzienlijke onenigheid binnen de NAVO bestaat over de te volgen strategie.
Dit verschil van inzicht bestaat reeds vanaf het begin. Gedurende het
conflict over Irak wilde Duitsland een grote rol spelen in Afghanistan om een
verdere verslechtering van de Duits-Amerikaanse betrekkingen te voorkomen. Om
deze inzet binnenlands te kunnen legitimeren werd de ISAF-missie door de Duitse
politiek wel scherp afgegrensd van de ‘Amerikaanse’ anti-terreur operatie
'Enduring Freedom'. Om de binnenlandse steun niet te verliezen heeft de Duitse
regering lang gepretendeerd dat ISAF slechts een wederopbouwmissie was. De
Bundeswehrsoldaten in de rustige provincie Kunduz werden voorgesteld als niets
meer dan wederopbouwmedewerkers die toevallig een camouflagepak droegen.
Duitse politici koketteren zo met het imago van Duitsland als ‘Zivilmacht’
(civiele mogendheid) die beter dan de VS en de NAVO-partners die in het zuiden
actief zijn, begrepen heeft dat een succesvolle wederopbouw van het land meer
vergt dan alleen een krachtig militair optreden. De Verenigde Staten worden
verweten dat hun onbehouwen militaristische optreden en de resulterende
collateral damage de Afghaanse bevolking van de NAVO vervreemdt,
waardoor de NAVO de strijd om de hearts and minds dreigt te verliezen.
Laffe Duitsers
Nu de Taliban aan een wederopstanding bezig lijken te zijn, is voor de bondgenoten in Zuid-Afghanistan de Duitse kritiek op hun militaire tactiek uiterst onwelkom. Gezien de reële dreiging op dit moment wordt Duitsland lafheid verweten. Zo meldde het weekblad Der Spiegel eind vorig jaar al dat een Canadese NAVO-officier – wiens opvatting illustratief zou zijn voor de stemming in het NAVO-hoofdkwartier in Mons – vond dat het tijd werd dat de Duitsers eindelijk hun slaapplaatsen verlieten en ook eens leerden “Taliban te doden”! En inderdaad kan een duurzame wederopbouw van Afghanistan pas slagen indien de NAVO erin slaagt door militair ingrijpen de noodzakelijke orde te handhaven.
Het feit dat Duitsland niet publiekelijk kan accepteren dat men in Afghanistan betrokken is bij een counter-insurgency operatie komt duidelijk naar voren in het debat rond het sturen van 6 Tornado-gevechtsvliegtuigen om fotoverkenningsvluchten te maken boven Afghanistan. Minister van Defensie Jung (CDU) tracht de Duitse bevolking voor de inzet over te halen met de naïeve opmerking dat "verkennen niet hetzelfde is als vechten". De Duitse regering blijft hameren op het feit dat de Duitse Tornado’s slechts in uiterste noodgevallen betrokken mogen worden bij gevechtshandelingen. Alleen als geallieerde troepen in levensgevaar verkeren mogen ze Close Air Support geven. Kortom, de Duitse vliegtuigen zijn er vooral om te kijken en vreedzaam foto’s te maken.
Deze politieke schizofrenie, waarbij Duitsland weigert te erkennen dat het land in oorlog is, komt voort uit het feit dat men in de jaren negentig deelname van de Bundeswehr aan VN en NAVO-missies alleen kon legitimeren door ze voor te stellen als vredesmissies. De scepsis in Duitsland ten opzichte van militaire interventies maakte dit noodzakelijk. Tegelijkertijd ontwikkelde Duitsland vanuit deze antimilitaristische houding ook een breder veiligheidspolitiek denken waarin militair ingrijpen slechts als onderdeel gezien werd van een palet van multilaterale (ontwikkelings)politieke, economische, humanitaire en politionele maatregelen om conflicten te voorkomen en te beslechten.
Vriendelijke onverschilligheid
Het vervelende is dat Duitsland met dit ‘brede veiligheidsdenken’, dat tegenwoordig in Berlijn met de term “vernetzte Sicherheit” wordt aangeduid, een zeer realistisch concept heeft dat uitstekend past bij de huidige veiligheidspolitieke uitdagingen. Doordat Duitse politici hun achterban echter jarenlang in de waan hebben gehouden dat vrede geen inspanning behoeft, is de interesse in buitenlandspolitieke vraagstukken afgenomen. Ontstaan is wat Bondspresident Horst Köhler een “freundlichen Desinteresse” noemde. Maar een dergelijke vriendelijke desinteresse kan, juist doordat er geen fundamenteel debat is over de belangen die men dient met interventies, gemakkelijk omslaan in een nieuw isolationisme.
Nu al laten enquêtes zien dat Duitsers steeds afwijzender staan ten opzichte van interventies. Zo is een zeer ruime meerderheid van de bevolking (77%) tegen de inzet van Tornado-gevechtsvliegtuigen in Zuid-Afghanistan. Daarnaast maakt het gebrek aan belangstelling het moeilijk om middelen toe te kennen aan de buitenlandse en veiligheidspolitiek. Dit leidt tot een chronische onderfinanciering van de Bundeswehr. De Duitse defensie-uitgaven bedragen nu nog slechts 1,4% van het BNP. Hetzelfde geldt voor het budget voor buitenlandse politiek en ontwikkelingssamenwerking. De hierdoor ontstane beperkte armslag betekent dat Duitsland niet dat gewicht in de schaal kan leggen dat het land eigenlijk toekomt.
De oplossing
Wat
nodig is, is dat politici in Berlijn de bevolking een duidelijk en eerlijk beeld
schetsen van de hedendaagse veiligheidspolitieke problemen. Dat impliceert dat
men toegeeft dat veiligheid voor Duitsland alleen gerealiseerd kan worden indien
Afghanistan niet opnieuw een failed state wordt. Maar dat betekent ook
dat de NAVO niet mag falen in Zuid-Afghanistan. De veiligheidsituatie moet daar
verbeterd worden door een combinatie van een versterkt militair engagement in
samenhang met een versterkte opbouw van de civiele infrastructuur.
Hierbij kan Duitsland een sleutelrol spelen. Nu het land door het sturen van de
Tornado’s zijn Soli-Zuschlag, oftewel zijn minimale symbolische
bijdrage heeft geleverd, mag het land ook meepraten. En dat moet de tactiek van
Berlijn zijn. Zich een trouwe bondgenoot tonen, om vervolgens de militaire
strategie aan te passen en een zwaardere nadruk te leggen op gecoördineerde
civiel-militaire samenwerking bij de wederopbouw van Afghanistan. Dit zou een
terugkeer naar Duitslands meest geëigende rol betekenen: die van een betrouwbare
maar ook kritische bondgenoot die de waarde van diplomatie, multilateraal
overleg en niet-militaire instrumenten op waarde weet te schatten.
Hans Terlouw is cultuurwetenschapper en promoveert op de Duitse buitenlandse en veiligheidspolitiek vanaf 1990.



