De tijden van exclusief leiderschap zijn voorbij
Een analyse van de Frans-Duitse betrekkingen
28-feb-2007
Het was een ietwat curieuze en onfrisse beeldspraak. In 1994 zei Hans van Mierlo, toenmalig Nederlands minister van Buitenlandse Zaken, dat Den Haag in het vervolg meer “in de oksel van de Frans-Duitse as zou moeten leunen.” De dagen van de Koude Oorlog lagen net achter ons, de NAVO zocht naar een nieuwe rechtvaardiging van haar bestaan en de Europese Unie was voornemens vorm te geven aan een doortastend Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid (GBVB). Aan die “oksel” dus de toekomst.
Dertien jaar later resteert er niet veel meer van dat typische roaring nineties-optimisme. In Nederland is euroscepsis inmiddels de norm geworden en met het GBVB zijn, met vallen en opstaan, slechts kleine vorderingen gemaakt. De EU beschikt sinds december 2003 over een eigen veiligheidsstrategie en er lopen EU-militairen in Bosnië en Congo rond, maar de oorlog in Irak legde een pijnlijke verdeeldheid binnen de Europese gelederen bloot. De kiem van die verdeeldheid is nadien niet verdwenen: de lidstaten die in 2004 toetraden beschouwen een solide band met Washington als een levensverzekering tegen het groeiende zelfbewustzijn van Rusland, hun voormalige bezetter. Tegelijkertijd dromen veel ‘oude’ landen van een EU die onafhankelijk van de Verenigde Staten op het wereldtoneel opereert en schromen ze niet om op bilateraal niveau zaken te doen met aardgasmagnaat Vladimir Poetin.
SamenwerkingIn 1946 hield Winston Churchill een toespraak in het Zwitserse Zürich. De grootste staatsman van de twintigste eeuw riep de Fransen en de pas verslagen Duitsers op zich te verzoenen en samen te bouwen aan de ‘Verenigde Staten van Europa’. “De eerste stap in het herscheppen van de Europese Familie moet een partnerschap tussen Frankrijk en Duitsland zijn”, sprak Churchill. Frankrijk en Duitsland zouden inderdaad snel gehoor geven aan zijn wijze woorden. Met zuiver idealisme had dit evenwel weinig uit te staan. Het was eerder de Koude Oorlog, die eind jaren veertig in een stroomversnelling geraakte, die de twee erfvijanden tot hechte samenwerking veroordeelde.
Calculerende Realpolitik was daarbij het uitgangspunt. Joseph Stalin had een vazalregime in Oost-Duitsland geïnstalleerd en vormde aldus een directe bedreiging voor Duitslands westelijke helft, de Bondsrepubliek, en met name voor West-Berlijn. De West-Duitse kanselier Konrad Adenauer bepleitte een Politik der Stärke: hij streed voor een krachtige en onomkeerbare verankering van zijn land in de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) en daarna in de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en de NAVO, teneinde het Sovjet-blok te verzwakken en de hereniging af te dwingen met wat hij snerend die Ostzone noemde. Frankrijk wilde koste wat kost voorkomen dat West-Duitsland alsnog zou afdrijven in de richting van de Sovjetunie. Integratie van de prille democratie in de EGKS/EEG was dus een geëigend middel om grip op de buur te houden. Ook zag Parijs een leidende rol in West-Europa als een surrogaat voor zijn afnemende politieke en economische invloed in de wereld.
Nationale agenda’sNatuurlijk, mensen als Adenauer, Charles de Gaulle, Helmut Schmidt, Valéry Giscard d’Estaing, Kohl en Mitterrand voelden een oprecht diepe en bij vlagen emotionele betrokkenheid bij Europa, maar Frankrijk en West-Duitsland lieten zich toch hoofdzakelijk inspireren door hun nationale agenda’s. Toen kanselier Willy Brandt begin jaren zeventig zijn legendarische Ostpolitik lanceerde – toenadering tot Moskou zou volgens Brandt en zijn SPD leiden tot een menselijker regime in de DDR en misschien wel tot nationale hereniging – haalde de Franse president Georges Pompidou prompt de banden met de VS aan. Kohl moet de pogingen die zijn ‘vriend’ Mitterrand kort na de val van de Muur ondernam om die hereniging te doorkruisen als een enorme teleurstelling hebben ervaren.
Met de roemloze ondergang van het Sovjet-imperium in de jaren 1989-1991 verdween ook de smeerolie die de Frans-Duitse as al die jaren draaiende had gehouden. Duitsland lag opeens weer in het hart van het continent, daar waar Otto von Bismarck het 120 jaar eerder had gesticht. Deze terugkeer naar de Mittellage veronderstelde dat het voortaan een kluwen van belangen, sentimenten en verwachtingen, ook de Centraal- en Oost-Europese en Russische, in ogenschouw moest nemen. Met andere woorden: Europa was in de belevingswereld van de Bondsrepubliek groter geworden dan alleen Frankrijk. Frankrijk op zijn beurt was opgeschoven naar Europa’s westelijke rand. Daarbij kwam dat twee andere landen begonnen te knagen aan hun ‘natuurlijke leiderspositie’: Groot-Brittannië, dat zich onder Tony Blair actiever met de EU ging bemoeien en zichzelf een sleutelrol bij de uitbouw van de Europese defensie toeëigende, en Polen, dat de deur naar de VS wilde openhouden.
Kanselier Gerhard Schröder en president Jacques Chirac bundelden hun krachten in hun verzet tegen de Amerikaanse aanval op Irak, maar dit bleek geen levensvatbaar uitgangspunt te zijn voor een herstart van de motor. De nieuwe lidstaten waren op zijn zachtst gezegd niet gediend van de harde taal die vanuit Berlijn en Parijs aan het adres van Washington werd geuit, om van hun beider geflirt met Moskou maar te zwijgen.
Vloek
Schröder is in 2005 met pensioen gegaan en Chirac zal zijn voorbeeld weldra volgen. Het valt nog te bezien of hun opvolgers, Angela Merkel en Nicolas Sarkozy dan wel Ségolène Royal, volwaardige mecaniciens zijn. Kanselier Merkel toont zich blijkens haar engagement met de Europese Grondwet - een speerpunt van het Duitse EU-voorzitterschap - een toegewijd Europeaan, maar lijkt niet veel waarde te hechten aan de geluiden uit Parijs. Toen Sarkozy in februari 2006 voorstelde de Grondwet af te slanken tot een ‘mini-verdrag’, wezen zowel Merkel als minister van Buitenlandse Zaken Frank-Walter Steinmeier erop dat een groot aantal landen de oorspronkelijke Grondwet reeds had geratificeerd. Sarkozy’s rivale Royal wees de suggestie ook van de hand, maar houdt zich verder ijzig op de vlakte als het gaat om de institutionele toekomst van de EU. Wel heeft de socialistische presidentskandidate belooft een nieuw referendum te organiseren, mocht er inderdaad een uitweg uit de Grondwet-impasse worden gevonden. Zou Merkel daar werkelijk blij mee zijn? Voor de Franse pleidooien van president Chirac en premier Dominique de Villepin voor de vorming van een ‘kopgroep’ binnen de Unie loopt zij evenmin erg warm. Merkel sprak zich in februari vorig jaar tijdens de jaarlijkse veiligheidsconferentie te München uit voor een sterkere mondiale rol voor de NAVO. Een vloek in de oren van Frankrijk dat traditioneel een grotere Europese inbreng in de wereldpolitiek nastreeft.
Inmiddels lijkt er sprake te zijn van een ‘Netwerk Europa’ (een term afkomstig van oud-staatssecretaris van Buitenlandse Zaken Dick Benschop) van wisselende allianties van grotere lidstaten, met in hun kielzog een aantal kleinere enthousiastelingen. Duitsland en Frankrijk zullen belangrijke partners binnen de EU blijven en van hun verzoening gaat nog immer een grote symbolische werking uit. De tijden van exclusief leiderschap zijn echter voorbij. Ook een president Sarkozy of Royal zal de klok niet kunnen terugdraaien.
Jeroen Bult is historicus. Hij is verbonden aan het Institute of International & Social Studies in Tallinn.
"Het is moeilijk een volk te besturen dat 246 soorten kaas heeft." - Charles de Gaulle over Frankrijk
"In Frankrijk bestudeert men de mensen, in Duitsland de boeken." - Madame de Staël in 'De l’Allemagne'
"De Duitsers zijn schepsels van lagere soort, die het geluk hebben onze buren te zijn: wij stralen wat van ons licht over hen uit." - Jean-Paul Sartre
