- Economische malaise en Reformstau
- Actueel
- Knelpunten in de Duitse economie
- Belangrijkste spelers
- De macht van de vakbeweging
- Hervormingsplannen
- Alternatieve plannen
- De prijs van SchrXders hervormingen
- Ich AG
- Arbeidsmarktpolitiek
- Economische gevolgen van de Duitse vereniging
- De Duitse economie en Europa
- Geschiedenis Duitse verzorgingsstaat
- Spotprenten
De zwakste schakel?
De Duitse economie en de toekomst van Europa
1-jul-0003
Dat het de Duitsers economisch niet voor de wind gaat, heeft onvermijdelijk repercussies voor de Europese Unie en voor Nederland in het bijzonder. Het is daarom ook zo opvallend, dat eind vorig jaar met name conservatief-nationale politici in Nederland zich bijzonder druk maakten over de economische gevolgen van de toetreding van tien Centraal en Oost-Europese landen tot de Europese Unie, maar dat men in deze kringen stil is als het gaat om het analyseren van een reëel probleem: de economische toestand van Duitsland. Dit terwijl de tien nieuwe lidstaten gezamenlijk slechts vier procent van het Bruto Nationaal Product (BNP) van de Europese Unie vormen.
De Duitse economie, daarentegen, is goed voor 25 procent van het Europese BNP. Ter vergelijking: de Nederlandse economie is met vijf procent van het EU-BNP de zesde economie in de EU. De achterblijvende groei in Duitsland verdient meer aandacht van Nederlandse analisten, omdat een kwakkelende Duitse economie niet alleen de Europese economie beïnvloedt, een regio waarvan Nederland als geen ander afhankelijk is, maar ze beïnvloedt ook het Europese politieke klimaat.
Europese motor
Zonder twijfel heeft de slechte economische situatie in Duitsland gevolgen voor de economie in alle lidstaten van de Europese Unie. De Duitse economie is, niet ten onrechte, vaak vergeleken met de motor achter economische groei in Europa. Duitsland is economisch zo dominant dat andere lidstaten vanwege de onderlinge verbondenheid onvermijdelijk de gevolgen van de kwakkelende Duitse motor merken. Uiteraard heeft de mondiale economische terugval eveneens aanzienlijke gevolgen voor de Europese economieën. Aangezien bijna zestig procent van de buitenlandse handel van EU-lidstaten plaatsvindt met andere EU-lidstaten, is een achterblijvende Duitse economie echter de belangrijkste rem op economisch herstel in Europa. Dit geldt in het bijzonder voor Nederland. Nederland is voor 55 procent van haar BNP afhankelijk van buitenlandse handel. De totale buitenlandse handel bedroeg in 2002 ruim 235 miljard euro, waarvan binnen de Europese Unie 177 miljard euro, oftewel 75 procent. Duitsland is, met een exportwaarde van ruim 57 miljard euro (bijna een kwaart van de totale export), het grootste exportland voor Nederland en dus van buitenproportioneel belang. Alleen al om deze reden dient de huidige staat van de Duitse economie Nederlanders zorgen te baren.
Meer indirect is er ook nog een andere consequentie voor de Europese economieën. De inkomsten van de Europese Unie worden voor een deel vastgesteld als een percentage van het BNP van alle lidstaten. Indien de Duitse economie, en dus de andere Europese economieën ook, blijven kwakkelen, kan dit leiden tot een vermindering van het EU-budget. De inkomsten van de Unie zijn tot 2007 vastgelegd tijdens de Top van Berlijn. Een stagnerende economische situatie in de lidstaten kan het EU-budget vanaf 2007 echter negatief beïnvloeden. Hierdoor zou er minder geld beschikbaar zijn voor structuurfondsen, zoals de sociale, regionale ontwikkelings-, en cohesiefondsen. Nu per 1 mei 2004 de uitbreiding een feit wordt, zijn deze fondsen juist van extra belang om de aanzienlijke regionale verschillen zo snel mogelijk te minimaliseren. Te grote regionale economische verschillen kunnen tot onacceptabele economische, sociale en dus politieke problemen leiden. Gezien het feit dat in veel gevallen de structuurfondsen positieve effecten hebben op de economische groei van achtergebleven regio's, zou een afname van de fondsen, betekenen dat één van de doelstellingen van de Unie, namelijk "de versterking van de economische en sociale samenhang" moeilijker te realiseren is.
Daarnaast heeft een stagnerende Duitse groei negatieve gevolgen voor het kroonjuweel van de Europese eenwording: de monetaire unie. De tegenvallende belastinginkomsten en gestegen overheidsuitgaven hebben ertoe geleid dat het Duitse overheidstekort in 2002 3,8 procent van het BNP bedroeg, dit terwijl de maximale grens volgens het Stabiliteitspact op drie procent ligt. Schröder wist, door zijn volledige politieke gewicht in de strijd te werpen, te voorkomen dat Duitsland begin 2002 de 'blauwe brief van de Europese Commissie kreeg. In januari 2003 ontving Duitsland echter alsnog de officiële waarschuwing en boete.
Financiering EU
Dat Duitsland, het land dat altijd één van de braafste jongetjes van de Europese klas was, een dergelijke overtreding heeft begaan, is veelzeggend. Nu het Duitsland economisch minder goed gaat, betekent dit dat het land minder in staat is, en minder bereid is, een deel van haar inkomen af te dragen aan de Europese Unie. Een tendens die overigens al ouder is, maar die met name onder kanselier Gerhard Schröder tot uiting is gekomen. Zo bekritiseerde Schröder al in zijn eerste week het beleid van zijn voorganger Helmut Kohl, die hij verweet "das Wohlwollen unserer Nachbarn mit Nettozahlungen gleichsam [zu] erkaufen". Dit Duitse geld zou volgens Schröder dan "in Brüssel verbraten" worden. Kortom, Schröder is in ieder geval retorisch niet langer bereid Zahlmeister van de Europese Unie te zijn. Dat de politieke realiteit hardnekkiger is, blijkt uit de resultaten van de Top van Kopenhagen (december 2002), waar Schröder zich alsnog genoodzaakt zag de uitbreiding zeker te stellen door toe te geven aan Zuid-Europese eisen en het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) tot 2007 te continueren. Toch is de trend duidelijk: Duitsland is in steeds mindere mate bereid, en in staat, de Europese Unie te financieren.
Het voorbeeld van de Top van Kopenhagen maakt duidelijk dat de kwakkelende staat van de Duitse economie ook politieke consequenties heeft voor de opstelling van Duitsland in Europa. De sterke economische positie, gecombineerd met een bereidheid op politiek gebied een 'tweede viool' te spelen, maakte het voor Duitse politici in het verleden mogelijk om politieke geschillen binnen de Europese Unie 'af te kopen', teneinde het integratieproces te laten continueren. Een Duitse economie in recessie blijkt negatieve gevolgen voor deze traditionele Duitse Europapolitiek te hebben. Voor de Bondsrepubliek was het sinds de oprichting in 1949 helder dat Europese integratie de enige oplossing was om die deutsche Frage op te lossen. In een geïntegreerd Europa zou het politieke en economische overwicht van Duitsland namelijk niet op zoveel weerstand van andere landen stuiten.
Nationale elementen
Alhoewel het herenigde Duitsland formeel nog steeds een Europese federatie nastreeft, is het duidelijk dat onder Schröder nationale elementen langzaam hun invloed op de Duitse Europapolitiek terugwinnen. Zo sprak Schröder in zijn eerste rede als kanselier voor de Bondsdag van een: "Selbstbewußtsein einer erwachsenen Nation, die sich niemandem über-, aber auch niemandem unterlegen fühlen muß" (Schröder, 1998). De droom van een postnationaal Europa lijkt dus ook in Duitsland aan de taaie Europese realiteit te stranden. De slechte economische situatie, in combinatie met een nieuw nationaal zelfbewustzijn, leidt tot een sterk gedaald enthousiasme voor Europese oplossingen. Een dergelijke tendens in de Europese geschiedenis zou weliswaar een 'normalisering' van de Duitse positie in Europa betekenen, maar het opmerkelijk dat andere grotere staten als Groot-Brittannië en Frankrijk hun weerstand tegen politieke integratie juist langzaam hebben losgelaten. In een Europa waarin onderlinge afhankelijkheden toenemen is een sterkere gemeenschappelijke politieke leiding noodzakelijk. De in Duitsland opkomende tendens tot renationalisering van het beleid vormt dan ook een serieuze bedreiging voor een Europa dat in staat is op het internationale toneel effectief te handelen. De Irak-crisis is hiervoor een duidelijke indicatie.
Duitsland is dus niet meer in staat, en steeds minder bereid, om politieke hobbels financieel glad te strijken. Hobbels die onvermijdelijk toenemen nu de Europese integratie zich meer met de tweede pijler (buitenlands en defensiebeleid) en de derde pijler (binnenlandse zaken en justitie) gaat bezighouden. Los van de vraag in hoeverre een supranationaal Europa wenselijk is, moet het Nederlandse politici duidelijk zijn dat ze zich nog minder illusies hoeven te maken van het alternatief: een intergouvernementeel Europa. Een Europa waarin de grote lidstaten hun belangen kunnen realiseren, is in ieder geval niet in het belang van de Nederlandse bevolking. Wederom is een Duits vraagstuk onlosmakelijk verbonden met Europa. De toestand waarin de Duitse economie zich bevindt en de vraag in hoeverre plannen van de rood-groene regering, zoals Agenda 2010, inderdaad in staat zijn om de Duitse economie uit het slop te trekken, dienen dan ook de volle aandacht te krijgen.
Hans Terlouw studeerde Cultuur- en Wetenschapstudies en Internationale Bedrijfskunden aan de Universiteit van Maastricht en is promovendus aan het Graduiertenkolleg van hetDuitsland Instituut Amsterdam.
Europese Monetaire Unie
- De staatsschuld mag hoogstens 60% van het bruto binnenlands product (BBP) beslaan
- Het begrotingstekort mag niet meer dan 3 % van het BBP bedragen.
- De inflatie mag, gemeten over één jaar, niet meer dan 1,5 % boven die van de drie beste lidstaten liggen
- De langetermijnrente mag, gemeten over één jaar, niet meer dan 2% boven die van de drie beste (economisch) presterende lidstaten liggen
Economie
Statistisches Bundesamt
Datenrapport 2002
Konjunkturprognose 2003
Institut der deutschen Wirtschaft
'Deutsche Außenpolitiek für eine gemeinsame Zukunft'
G. Hellmann
Regierungserklärung Schröder 10/11/98
Conjunctuurbericht Nederland 2003
CBS
Naar een Europabrede Unie'
WRR Rapport
Economische Voorlichtingsdienst