De eerste generatie
1968 – 1972
1-feb-0005
Door
warenhuizen in brand te steken zouden de met Amerika sympathiserende Duitsers
aan den lijve ondervinden wat de bevolking van Vietnam ondergaat. Publicitaire
ondersteuning krijgen de daders van Ulrike
Meinhof, columniste van het linkse studentenblad Konkret uit Hamburg en lid
van de verboden Kommunistische Partei Deutschlands. De juridische verdediging
van Ensslin berust bij Otto Schily, destijds advocaat en tegenwoordig minister
van Binnenlandse Zaken. Baader wordt bijgestaan door Horst Mahler, die na het
proces de advocatuur vaarwel zegt en tot de RAF toetreedt. De daders worden tot
drie jaar cel veroordeeld. Ensslin en Baader duiken onder in Frankrijk. Baader
wordt later teruggevonden en verdwijnt in april 1970 alsnog in de cel.
Uniform
Zijn gevangenschap duurt niet lang. Op 14 mei 1970 wordt hij door Ensslin, Meinhof – die in de tussentijd tot de groep is toegetreden - en enkele handlangers op gewelddadige wijze bevrijd uit een gebouw van de West-Berlijnse universiteit, waar hij aan een onderzoek moest meewerken. Bij de schietpartij raakt een medewerker van het instituut zwaargewond. De gewapende overval geldt als geboorteakte van de RAF. In de volksmond raakt de terreurorganisatie vanwege haar kopstukken bekend als Baader-Meinhof-Gruppe.
Op 15 juni verklaart Ulrike Meinhof, het ideologische brein van de beweging: “Iemand in een uniform is geen mens (...). Het is verkeerd met zo iemand te discussiëren, en natuurlijk mag er worden geschoten”.
De RAF maakt werk van het terrorisme. Tussen juni en augustus 1970 doorlopen Baader, Meinhof, Ensslin en anderen een paramilitaire opleiding in een trainingskamp van de Palestijnse terreurbeweging El Fatah in Jordanië. Na terugkeer in West-Duitsland plegen zij ettelijke bomaanslagen en bankovervallen. Daarbij maken zij honderdduizenden D-Mark buit. Enkele RAF-leden worden gearresteerd, waaronder Horst Mahler, advocaat van Baader tijdens het warenhuis-proces. De stadsguerilla is definitief begonnen.
Het eerste dodelijke slachtoffer van het RAF-terrorisme valt ruim een jaar na de geboorte van de RAF, op 15 juli 1971. De dode valt aan de kant van de terroristen: de door de politie gezochte Petra Schelm komt in Hamburg om het leven tijdens een vuurgevecht met agenten. Niet lang daarna maakt de RAF haar eerste slachtoffer. Op 22 oktober schiet Irmgard Möller politiechef Norbert Schmid dood bij een persoonscontrole, eveneens in Hamburg.
Bomaanslagen
Het
daaropvolgende jaar neemt het geweld hand over hand toe. In mei 1972 vinden
binnen een tijdsbestek van twee weken bomaanslagen plaats op Amerikaanse
legeronderdelen in Frankfurt en Heidelberg, het hoofdbureau van de politie in
Augsburg en het hoofdkantoor van uitgeverij Springer (die onder andere het
rechts-populistische tabloid Bild uitgeeft) in Hamburg. De bloedige
balans: vier dode Amerikaanse soldaten en 74 gewonden. De RAF legitimeert de
aanslagen met een verwijzing naar “de massamoordenaars van Vietnam”. Met het
excessieve geweld verspeelt de RAF de laatste sympathie die zij tot dan toe had
genoten onder de West-Duitse bevolking.
In de zomer van 1972, twee jaar na het ontstaan van de RAF, wordt in een arrestatiegolf de kern van wat bekend kwam te staan als 'eerste generatie' opgepakt. Op 1 juni worden Andreas Baader, Holger Meins en Jan-Carl Raspe in Frankfurt ingerekend. Op 7 juni is het in Hamburg de beurt aan Gudrun Ensslin. Op 15 juni volgt de arrestatie van Ulrike Meinhof in Hannover en op 9 juli van Klaus Jünschke en Irmgard Möller in Offenbach. Baader, Meinhof, Ensslin en de anderen worden opgesloten in gevangenissen verspreid over de Bondsrepubliek. Later worden zij overgebracht naar de zwaarbeveiligde Stammheim-gevangenis in Stuttgart, waar in mei 1975 hun proces begint. De oprichters van de RAF zullen niet meer vrijkomen.
Otto Schily werd in 1932 in Bochum, in het Ruhrgebied, geboren. Zijn linkse politieke oriëntatie krijgt hij van zijn ouders mee. Tijdens zijn studententijd raakt hij bevriendt met Horst Mahler en Rudi Dutschke: Beiden zullen later op hun manier het linkse gedachtengoed uitdragen.
In de hoedanigheid van advocaat verdedigt Schily in 1971 Mahler en tussen 1975 en 1977 Gudrun Ennslin. Hij beperkt, in tegenstelling tot andere advocaten, zijn verdediging tot de rechtszaal. In 1980 wordt hij lid van die Grünen en reeds in 1983 zit hij in de Bondsdag. Zijn politieke carrière wordt in 1998 bekroond met de functie van minister van Binnenlandse Zaken.