Politiek engagement van Duitse jongeren
Duitse jeugd loopt niet warm voor politiek
1-feb-2006
Alternatieven
Ondanks het gebrek aan vertrouwen in de democratie antwoorden jongeren op de vraag: vind je de democratie een goede of een niet zo goede staatsvorm? overwegend positief. Degenen die niet zo tevreden zijn (25 procent, waarvan 8 procent uit West- en 17 procent uit Oost-Duitsland), kunnen zo gauw geen betere staatsvorm bedenken. De jongeren, die een staatsvorm zoals de DDR terugwillen, zijn zeer sterk in de minderheid. Het gebrek aan interesse in de politiek hangt dus niet altijd samen met een afkeer van de politiek. Jongeren die in ongunstige omstandigheden leven en zich uitgesloten voelen van de maatschappij, zijn vaak het meest ontevreden over de politiek. Anderen houden zich er gewoon niet zoveel mee bezig.
Het vertrouwen in maatschappelijke groeperingen en instellingen is altijd een goede graadmeter voor de houding van de burger ten opzichte van de samenleving. Het blijkt dat de Duitse jeugd vooral vertrouwen heeft in instellingen die onafhankelijk zijn van partijpolitieke beslommeringen, zoals het rechtssysteem en de politie. De Bundeswehr, het Duitse leger, genieten ook opvallend veel vertrouwen. Daarnaast vinden jongeren organisaties die los staan van politieke partijen, zoals mensenrechtenorganisaties (Amnesty International) en milieuorganisaties (Greenpeace) ook wel betrouwbaar.
De klassieke politieke instellingen, zoals de partijen en de regering, wekken daarentegen nauwelijks vertrouwen op bij de jeugd. Ze worden zelfs behoorlijk gewantrouwd. Ook de kerk komt er vrij ongunstig vanaf. De vakbonden kunnen zich nog wel in enig vertrouwen van de jongeren verheugen, maar de werkgeversorganisaties weer niet echt. Over het algemeen hebben de jongeren in de nieuwe deelstaten iets minder vertrouwen in instellingen dan jongeren in het Westen.
Links of rechts?In de onderstaande tabel kun je zien dat in Oost- en West-Duitsland de jongeren zichzelf meer 'links' dan 'rechts' vinden, maar dat ze zichzelf het meest bij het politieke midden indelen. In Nederland, maar ook in West-Duitsland leeft het vooroordeel dat Oost-Duitse jongeren 'rechts' zijn, of zelfs 'extreem-rechts'. Dat komt omdat de Nationaldemokratische Partei Deutschlands (NPD), die te vergelijken is met het Vlaams Blok in België, vooral in Oost-Duitsland aanhangers heeft. Het vooroordeel blijkt mee te vallen: jongeren uit het Oosten van Duitsland zijn minder 'rechts' dan vaak gedacht: 32 procent beoordeelt zichzelf als 'links', tegenover zestien procent die zichzelf als 'rechts' ziet. Het percentage West-Duitse jongeren dat zich 'rechts' voelt, wijkt bovendien nauwelijks af van het percentage jongeren in Oost-Duitsland.
Diagram 2. 'Links-rechts'-verdeling in procenten. De jongeren (12 tot 25 jaar) moesten op een schaal van 0 tot 10 aangeven of ze links of rechts zijn. 0 = links, 10 = rechts. Bron: 14. Shell Jugendstudie

Op de vraag welke partij de economische problemen in Duitsland het beste op kan lossen, geeft de grote meerderheid van de jongeren aan daar geen enkele partij toe in staat te achten. Zowel jongens als meisjes van alle leeftijden uit Oost- en uit West-Duitsland zijn het daar vrijwel over eens. Alleen blijkt dat er in het Oosten nog minder vertrouwen is in de partijen die van oudsher in de Bondsrepubliek van vóór 1989 de scepter zwaaiden, zoals de SPD en de CDU/CSU en FDP. Maar die hebben in het Oosten dan ook een minder grote traditionele achterban.
Omdat jongeren steeds minder in de politiek geïnteresseerd lijken te zijn, wordt er gevreesd dat ze zich vervreemden van de democratie en haar verworvenheden. Daarom hebben de onderzoekers van de Shell Jugendstudie de jongeren gevraagd of ze tevreden zijn met de Duitse democratie. Het blijkt dat 64 procent van de West-Duitse jeugd zegt in meer of mindere mate tevreden te zijn. Daartegenover staat dat 52 procent van de Oost-Duitse jongeren in meer of mindere mate ontevreden is over de Duitse democratie. Die ontevredenheid hangt voornamelijk samen met moeilijke levensomstandigheden - de werkloosheid ligt in Oost-Duitsland gemiddeld hoger dan in West-Duitsland - en beperktere kansen om er maatschappelijk op vooruit te gaan. Dat zijn dus vooral werkloze jongeren en jongeren, die om wat voor reden dan ook, niet die opleiding kunnen doen die ze graag zouden volgen. Ook jongeren, die het niet zo goed met hun ouders kunnen vinden, hebben sneller het idee dat de maatschappelijke verhoudingen niet eerlijk zijn. Dit komt vaker voor in de nieuwe deelstaten, wat erop wijst dat ze minder perspectief zien in de Duitse samenleving.
Stemgedrag van jongeren
In het verkiezingsjaar 2002 hadden jongeren zich over het algemeen meer in de verschillende politieke partijen verdiept dan in voorgaande jaren. Met de CDU/CSU voelt maar liefst een kwart van de jongeren zich verwant (26 procent), dit is een hoger percentage dan ooit tevoren. De partij is vooral populair bij de oudere jongeren uit de westelijke deelstaten. De SPD is goede tweede met een ander kwart van de jongeren (25 procent), maar bij de Azubis (Auszubildende, mensen die een beroepsopleiding volgen) en werklozen hebben de sociaal-democraten aan populariteit ingeboet, waarschijnlijk omdat ze in hun regeerperiode er niet in geslaagd zijn de groeiende werkloosheid tegen te gaan. Bündnis 90/Die Grünen doet het goed bij vrouwen en studenten in de oude deelstaten. In het Oosten zijn de Groenen geen factor van belang. In totaal heeft slechts 9 procent van de Duitse jongeren affiniteit met Bündnis 90/Die Grünen. De liberale partij FDP doet het daarentegen weer goed bij de mannelijke jongeren uit het Westen, vooral studenten, maar ook werklozen. De PDS (de opvolger van de SED) wordt door de jongeren als een echt Ostgewächs gezien, iets dat inheems is in Oost-Duitsland en nauwelijks tot geen aanhang heeft bij jongeren in West-Duitsland. Dan zijn er nog de kleinere partijen, die de Bondsdag meestal niet halen. Ook zij spreken de jongeren niet echt aan. Het percentage dat zich bij geen enkele partij thuis voelt, is groot (27 procent). Wel is dat aanzienlijk minder dan bijvoorbeeld in 1996, toen 36 procent zich niet met een partij kon identificeren. Dit heeft zoals gezegd waarschijnlijk te maken met het feit dat 2002 een verkiezingsjaar was.
Tabel 1. Met welke partijen identificeren jongeren (12 tot 25 jaar) zich?
In procenten | 1981 | 1984 | 1991 | 1996 | 1999 | 2002 |
CDU/CSU | 18 | 17 | 14 | 15 | 15 | 26 |
SPD | 24 | 23 | 25 | 20 | 20 | 25 |
B90/Grünen | 20 | 23 | 15 | 22 | 22 | 9 |
FDP | - | - | - | 2 | 2 | 7 |
PDS | - | - | - | 3 | 3 | 4 |
Rep/NPD/DVU |
|
|
| 2 | 2 | 1 |
Andere |
|
|
| 3 | 3 | 1 |
Geen partij | 33 | 32 | 36 | 33 | 36 | 27 |
Weinig interesse voor de politiek
Uit alle onderzoeken blijkt dat de interesse in de politiek afneemt. In 1991 gaf 57 procent van de jongeren tussen 15 en 24 aan geïnteresseerd te zijn in de politiek, ruim tien jaar later is dat nog maar 34 procent. Daarvan is slechts vier procent sterk geïnteresseerd, 26 procent gewoon geïnteresseerd, veertig procent een beetje en dertig procent in het geheel niet. Hoe ouder je bent, hoe meer de politiek je iets zegt. Meisjes blijken over het algemeen iets minder met politiek bezig te zijn dan jongens en hoe hoger je opleidingsniveau is, des te interessanter politiek blijkt. Daarnaast is de politieke belangstelling van de ouders van invloed. Als zij sterk betrokken zijn bij de politiek zijn hun kinderen dat eerder dan kinderen van ouders die de politiek niets kan schelen.
Het feit dat in 1991 zo'n groot percentage jongeren aangaf dat ze interesse in de politiek hadden, heeft waarschijnlijk met de eenwording van Oost- en West-Duitsland te maken. De jongeren in de nieuwe deelstaten hadden nu ook vrijheid van meningsuiting en van dat recht maakten ze aanvankelijk gebruik, maar dat bleek van korte duur. Jongeren uit Oost-Duitsland zijn nog steeds meer politiek geinteresseerd dan hun leeftijdsgenoten uit West-Duitsland. In het Westen laat 32 procent van de jongeren zich niet indelen in het politieke spectrum, tegenover achttien procent in het Oosten (zie tabel in de vorige paragraaf).
Bron: 14e Shell Jugendstudie (Hamburg 2003).
Sophie: "Ik denk dat het vooral aan de ouders ligt, dat kinderen zich niet interesseren voor politiek. Als de ouders zich daar ook al niet voor interesseren, denken die kinderen ook: "waarvoor zou ik gaan stemmen?" Maar er zijn ook jongeren, waarvan de ouders ook geïnteresseerd zijn in de politiek en waarvan de kinderen uit protest tegen hun ouders zeggen dat het ze allemaal niets interesseert."