© Duitsland Instituut Amsterdam Duitsland Instituut Amsterdam

Een oude vriendschap onder druk

Duits-Amerikaanse betrekkingen onder George W. Bush

14-sep-2006Jeroen Bult

(19 februari 2003) Het zal slechts weinigen zijn ontgaan dat de relatie tussen de Bondsrepubliek en de Verenigde Staten zich momenteel op een historisch dieptepunt bevindt. De spanningen tussen de twee oude bondgenoten over de kwestie-Irak lopen in hoog tempo op. Zo is Washington furieus over het verzet van Berlijn tegen NAVO-hulp aan Turkije en de Duits-Franse initiatieven om een oorlog te voorkomen. Maar deze disputen staat niet op zichzelf. Sinds het aantreden van George W. Bush in januari 2001 zijn Duitsland en de V.S. in toenemende mate van elkaar vervreemd geraakt, iets wat niet kan worden losgezien van de steeds groter wordende Trans-Atlantische kloof.

Bush en Schroeder in 2001 Al in de nadagen van de regering van Bush' voorganger Bill Clinton was er sprake van wrijvingen tussen de V.S. en Europa. Naast onenigheid over staal, hormoonvlees en genetisch gemanipuleerde landbouwproducten, bepaalde het nieuw leven ingeblazen National Missile Defence-programma (NMD) de agenda. Dit anti-raketten-systeem, dat het grondgebied van de Verenigde Staten onkwetsbaar zou moeten maken voor aanvallen door zogenaamde schurkenstaten, zou volgens de Europeanen het mondiale strategisch-nucleaire evenwicht aantasten.

Kyoto

Het voornemen van Bush om daadwerkelijk vaart te gaan zetten achter het realiseren van NMD wierp al direct een schaduw over de betrekkingen met Europa. Kanselier Schröder sloeg aanvankelijk een gematigde toon aan. Hij noemde het programma een nationale beslissing van de V.S. Maar Bush' aankondiging, begin maart 2001, zich te zullen distantiëren van het in 1997 ondertekende Kyoto-protocol, dat tot doel heeft opwarming van de aarde door de uitstoot van schadelijke stoffen tegen te gaan, zou voor een grimmigere sfeer zorgen. De Duitse regering wenste, vooral onder druk van Die Grünen, aan 'Kyoto' vast te houden en wilde de naderende klimaat-conferentie in Bonn tot een succes maken. Andere heikele kwesties, zoals schadevergoeding voor dwangarbeiders onder het nazi-regime, Europese staatssteun aan het Airbus-vliegtuigproject, Amerikaanse onvrede over de weinig voortvarende Duitse legerhervormingen, een geschil over de levering van onderzeeboten aan Taiwan en het uitlekken van de notulen van vertrouwelijke besprekingen tussen Bush en Schröder (Diplo Gate) zetten de betrekkingen eveneens onder druk.

Berlijn nam de Amerikaanse opzegging van het dertig jaar oude ABM-Verdrag dat de ontwikkeling van het raketschild verbiedt en daarom een obstakel vormt voor Bush' plannen in mei 2001 weliswaar voor kennisgeving aan, maar maakte geen geheim van zijn twijfels over de dreiging door rough states. Dit houdt ongetwijfeld verband met het inzicht, dat de economisch-technologische voordelen voor Duitsland van deelname aan NMD geringer zouden zijn, dan men aanvankelijk dacht. Het is nochtans opmerkelijk dat Schröder minder terughoudend werd in het uiten van kritiek dan tijdens de eerste drie maanden van Bush' regering het geval was. De ergernis over 'Kyoto' zou stilaan als uitlaatklep voor andere spanningen gaan fungeren en Schröder zou net als het merendeel van zijn Europese collega's een meer afstandelijke houding ten opzichte van de V.S. in acht gaan nemen.             

Keerpunt: 9/11

De terroristische aanslag op het WTC in New York De terroristische aanslagen op het WTC en het Pentagon op 11 september 2001 luidden een nieuwe fase in de Duits-Amerikaanse betrekkingen in. In de Bondsrepubliek heerste alom verbijstering. Zij verklaarde haar uneingeschränkte Solidarität met de V.S. en steunde de inwerkingtreding van Artikel 5 van het NAVO-Verdrag. Maar onderhuids sluimerde de vrees dat president Bush de verleiding niet zou kunnen weerstaan om ook landen als Irak, Afghanistan en Soedan aan te vallen. En negeerde Bush met zijn herhaalde oorlogsverklaring aan het terrorisme niet de wortels hiervan, zoals het conflict in het Midden-Oosten en de wereldwijde sociaal-economische problemen? Duitsland sloot het aanwenden van militair geweld niet uit integendeel, het steunde de bombardementen op Afghanistan (Operatie Enduring Freedom). De regering stelde 3.900 manschappen beschikbaar ten behoeve van ondersteunende taken maar wenste wel alle middelen, dus ook politieke en economische, in te zetten in de strijd tegen het terrorisme.

Eind november 2001 manifesteerde zich het eerste serieuze meningsverschil tussen de V.S. en Duitsland sinds 9/11. President Bush dreigde het Amerikaanse offensief te zullen uitbreiden naar andere landen, mocht blijken dat deze banden met terroristen onderhielden. Kanselier Schröder vreesde een escalatie van de situatie in het Midden-Oosten en een ondermijning van de toch al fragiele coalitie tegen het terrorisme. Bush' State of the Union van 29 januari 2002, waarin hij refereerde aan een Axis of Evil, bestaande uit Irak, Iran en Noord-Korea, waartegen Amerika desnoods alleen een pre-emptive strike zou moeten ondernemen, zorgde eveneens voor grote beroering in Europa. Minister Fischer van Buitenlandse Zaken waarschuwde de Amerikanen niet op eigen houtje een oorlog tegen Irak te beginnen. Volgens hem kozen zij in veiligheidskwesties te vaak voor een unilaterale, militaire benadering, terwijl ze preventieve diplomatie en inspanningen op het humanitaire vlak verwaarloosden. Feitelijk openbaarden zich hier twee botsende Weltanschauungen. De V.S. redeneren bovenal in termen van rauwe machtspolitiek, terwijl Europa, zo ook Duitsland, duidelijk meer waarde hecht aan diplomatiek overleg, multilateralisme en het bevorderen van de internationale rechtsorde. Dit bleek ook uit de commotie over het Internationale Strafhof medio 2002. Berlijn reageerde geïrriteerd op de mededeling van Washington dat het geen Amerikaanse onderdanen aan het Hof zou uitleveren. De V.S. op hun beurt ergerden zich aan de aarzelende houding van Duitsland inzake het afstaan van bewijsmateriaal met betrekking tot van terrorisme verdachte personen (de Amerikaanse media zouden vooral Hamburg presenteren als een heus paradijs voor Al-Qaida-terroristen). 

Irak-kwestie

Maar het was de kwestie-Irak die de Duits-Amerikaanse betrekkingen in een vrije val deed belanden. Op 13 maart had kanselier Schröder voor het eerst openlijk verklaard dat er zonder VN-mandaat geen sprake kon zijn van Duitse deelname aan een oorlog tegen Saddam. De rot-grüne Koalition zou met het oog op de naderende Bondsdag-verkiezingen niet meer van deze lijn afwijken. Nadat op 5 juli een plan van het Pentagon om Irak van drie kanten binnen te vallen, was uitgelekt en president Bush hieraan toevoegde dat alle middelen om Saddam ten val te brengen waren geoorloofd, werd de toon uit Berlijn venijniger. 'Ich warne davor über Krieg und militärische Aktion zu spekulieren. Wer das will, der muss nicht nur wissen, wie er rein kommt, sondern er braucht eine politische Konzeption dafür, wie es dann weitergeht', aldus de kanselier. Schröder sprak zich op 5 augustus zelfs tegen de inzet van de Bundeswehr mèt een VN-mandaat uit. De op 19 september door het Schwäbisches Tageblatt opgetekende uitspraak van minister van Justitie Däubler-Gmelin dat Bush met zijn Irak-politiek binnenlandse problemen wenste te verdoezelen en zich daarmee van een methode van Hitler bediende, veroorzaakte een ongekende crisis in de Duits-Amerikaanse relatie. Zo stuurde Bush Schröder na diens nipte verkiezingszege geen felicitatietelegram en weigerde minister van Defensie Rumsfeld op een NAVO-top in Warschau zijn Duitse collega Struck ('this person') te ontmoeten.

Eind vorig jaar leek Duitsland voorzichtig toenadering tot de V.S. te zoeken. Berlijn was opeens bereid het bevel van de ISAF-vredesmacht in Afghanistan op zich te nemen, iets waar de V.S. al langer op aandrongen en steunde het Amerikaanse idee van een snelle NAVO-interventiemacht. Minister Fischer liet in een Spiegel-interview in januari doorschemeren dat Duitsland als lid van deVN-Veiligheidsraad een oorlog tegen Irak mogelijk toch zou billijken. Maar daarna is de verstandhouding wederom in rap tempo verslechterd. Na oppositionele aantijgingen over het opzettelijk achterhouden van slechte economische cijfers, meende de regering-Schröder zich ook niet nog eens een koerswijziging inzake Irak te kunnen veroorloven. Op 21 januari sloot Schröder, waarschijnlijk mede met het oog op de deelstaatverkiezingen in Nedersaksen en Hessen, dan ook categorisch uit dat Duitsland in de Veiligheidsraad vóór een aanval op Bagdad zal stemmen.

In het nauw door verkiezingsbelofte

Niemand had een jaar geleden durven denken dat de Bondsrepubliek, die zich herhaaldelijk onvoorwaardelijk solidair met de V.S. heeft verklaard en een prominente rol in de War on Terrorism op zich heeft genomen, een openlijke crisis met haar belangrijkste bondgenoot zou durven riskeren. Schröder en Fischer leken omwille van een herverkiezing te willen appelleren aan latente anti-Amerikaanse en pacifistische gevoelens en hebben Berlijn daarmee in een isolement gemanoeuvreerd. De vraag ligt voor de hand, of deze geschilpunten niet beter hadden kunnen worden opgelost door middel van een constructieve dialoog. Had Duitsland er bovendien niet verstandiger aan gedaan om net als Frankrijk de deur naar instemming met een VN-resolutie die een oorlog tegen Irak legitimeert open te houden? Nu heeft het land, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Groot-Brittannië en Spanje, iedere greep op het Amerikaanse beleid verloren. De Bondsrepubliek kan daarom niet langer als de belangrijkste Europese partner van de V.S. worden gezien. Een einde aan deze zo pijnlijke impasse lijkt voorlopig nog niet in zicht.

Jeroen Bult is historicus en publicist. Van zijn hand verschenen twee uitgebreide artikelen over de Duits-Amerikaanse betrekkingen onder president Bush in Jason Magazine (no.1 en 2, 2002).

Duitslandweb
feed link
Kyoto protocol
Kwestie Irak
Internationaal strafhof