Euthanasie
Regelgeving in Nederland en Duitsland
14-sep-2006
Sinds de jaren tachtig zijn er in Nederland stemmen opgegaan om euthanasie te legaliseren. Er ontstond een schemerzone voor artsen en patiënten: toepassing van levensbeëindiging op verzoek was in principe verboden, maar werd wel gedoogd.
Met de invoering van de recent ingevoerde Euthanasiewet is dit is nu veranderd. Euthanasie en hulp bij zelfdoding blijven strafbaar maar worden onder bepaalde omstandigheden gedecriminaliseerd d.m.v. een zogenaamde 'strafuitsluitingsgrond'. In de praktijk komt het erop neer dat de arts aan een aantal voorwaarden moet voldoen:
1. De arts moet zich houden aan bepaalde zorgvuldigheidseisen. Deze luiden dat de arts
- de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt;
- de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt;
- de patiënt heeft voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevindt en over diens vooruitzichten;
- met de patiënt tot de overtuiging is gekomen dat er voor de situatie waarin deze zich bevond geen redelijke andere oplossing was;
- ten minste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd, die de patiënt heeft gezien en zich een oordeel heeft gevormd over de hierboven vermelde zorgvuldigheidseisen;
- de levensbeëindiging medisch zorgvuldig heeft uitgevoerd.
De arts moet zijn/haar handelen melden aan de gemeentelijke lijkschouwer.
Regionale toetsingscommissies beoordelen of een geval van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding voldoet aan de boven vermelde criteria. Iedere commissie bestaat uit een oneven aantal leden waaronder ten minste één jurist, tevens voorzitter, één medicus en één deskundige op het gebied van ethische of zingevingvraagstukken. Indien de commissie van oordeel is, dat de arts zorgvuldig heeft gehandeld, is daarmee de zaak afgedaan. Zij hoeven hun oordeel dus niet meer door te geven aan het Openbaar Ministerie (OM). Alleen als het oordeel negatief is, wordt een zaak ter kennis gebracht van het OM.
In de wet is ook een regeling opgenomen voor verzoeken om levensbeëindiging door minderjarigen. Bij 16- en 17-jarigen moeten de ouders bij de besluitvorming betrokken worden, in geval van 12- tot 16-jarigen is de instemming van de ouders vereist.

Verder biedt de wet een expliciete erkenning van de geldigheid van schriftelijke wilsverklaringen omtrent levensbeëindiging waaraan een arts gevolg kan geven.
Alle andere verschijningsvormen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding blijven strafbaar. De wet is dus geen algehele legalisering van euthanasie en hulp bij zelfdoding. Bij alle verzoeken is de arts een meebeslissende instantie, dat wil zeggen dat hij niet verplicht is om een verzoek na te komen, mocht hij daar bezwaar tegen hebben.
Regelgeving in DuitslandEen opvallend verschil met Nederland, waar niet alleen patiëntenorganisaties maar juist ook tal van artsen luid riepen om legalisering van euthanasie, is de afstandelijke houding van Duitse artsen t.o.v. dit onderwerp.
In Duitsland heerste tot voor kort de opvatting, dat een patiënt zo lang mogelijk 'in leven moest worden gehouden'. De richtlijnen van de Bundesärztekammer, de overkoepelende organisatie van alle Duitse artsen, zijn pas de laatste jaren veranderd. Onder invloed van de jurisprudentie van het hoogste gerechtshof in Duitsland werd de tekst aangepast: het Duitse weekblad Die Zeit schrijft daaromtrent: "Wie het Duitse debat onder artsen en rechtsgeleerden opvolgt, zal opmerkelijke (...) veranderingen tijdens de afgelopen twintig jaar constateren. De steeds herziene richtlijnen van de Bundesärztekammer laten keer op keer het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt duidelijker naar voren treden. (...) In de tekst van 1998 wordt voor de eerste keer een verschil gemaakt tussen een 'medische behandeling' met als doel de genezing en een het sterven begeleidende 'basisverzorging'." Dit betekende een belangrijke stap, want in 1993 werd nog door de Bundesärztekammer van haar leden verwacht dat ze een patiënt die een hoognodige behandeling afwijst, ervan overtuigen, zijn opvatting te veranderen. De meest recente versie spreekt nu in plaats van 'veranderen' van 'overdenken'.
Aktive Sterbehilfe
De zogenaamde aktive Sterbehilfe is in Duitsland strafbaar. Hierbij gaat het om de doelgerichte doding op verzoek van de desbetreffende persoon, bijvoorbeeld door het toedienen van een dodelijk middel. Dit is zelfs dan van toepassing, als de patiënt zijn arts of familieleden om doding vraagt.
Hulp bij zelfdoding is weer een geval apart: aangezien zelfdoding in Duitsland niet strafbaar is, kunnen mensen erbij helpen. Dit geldt op twee uitzonderingen na: de arts of naaste bloedverwanten hebben, in tegenstelling tot een kennis of vriend, een zogeheten Garantenpflicht (garantie-plicht) voor het leven van de zieke. Zij mogen dus geen gifbeker naast het bed van de patiënt zetten. Indien een kennis of vriend daarentegen de beker naast het bed zet en de patiënt hem zelf opdrinkt, is dit een geval van medeplichtigheid bij zelfdoding. Medeplichtigheid bij een straffeloze actie is echter ook straffeloos.
Passive Sterbehilfe
Passive Sterbehilfe, het natuurlijk laten sterven van een doodzieke patiënt, is in Duitsland wel toegestaan. Maatregelen om het leven te verlengen mogen worden gestaakt, indien het uitstel van de dood voor de stervende een ondraaglijke verlenging van een dodelijk leed zou betekenen. Belangrijkste voorwaarde is echter, dat de zieke de wens om te sterven zelf heeft geuit. In dit verband worden schriftelijke wilsverklaringen steeds belangrijker omdat de behandelende arts deze 'testamenten van de patiënt' niet over het hoofd mag zien, maar er rekening mee moet houden. Passieve Sterbehilfe, is alleen toegestaan als de patiënt al op sterven ligt. Het leed moet dus onomkeerbaar zijn en de doo te wachten staan.
De afbakening tussen de actieve en de passieve vorm is echter niet altijd even duidelijk. De jurisprudentie ziet namelijk in het stopzetten of niet beginnen van een intensieve geneeskundige behandeling soms ook een handeling. Zelfdoding is volgens het Duitse strafrecht niet strafbaar. Dat geldt ook voor het aanzetten en de hulp erbij. Volgens de jurisprudentie van het hoogste Duitse gerechtshof, het Bundesgerichtshof, bestaat er voor een arts of naaste familieleden echter vanaf het moment dat de persoon handelingsonbekwaam wordt een plicht om de persoon te redden. Het is dus niet altijd makkelijk in te schatten, wat wel of niet mag. Dit wordt nog eens bemoeilijkt door het feit dat er geen rechtsplicht bestaat om een terminale patiënt in ieder geval in het leven te houden - dit als gevolg indirect van de technisch medische vooruitgang. Niet de efficiëntie van de apparaten, maar de arts beslist.
Indirekte Sterbehilfe
Bij een doodzieke patiënt mogen door een arts ook pijnstillende middelen ingezet worden die als gevolg tevens een snellere dood bevorderen. De jurisprudentie in Duitsland staat dit sinds 1996 door een vonnis van het Bundesgerichtshof toe en spreekt van indirekter Sterbehilfe. Ook hier is de belangrijkste eis, dat de patiënt zelf om dergelijke maatregelen vraagt en met een snellere dood instemt. De arts mag de middelen namelijk uitsluitend dan toedienen als hij alleen de pijn wil verzachten. De dood mag hierbij slechts een onbedoeld, niet primair effect zijn.
Critici wijzen op de grote schemerzone die hierdoor ontstaat. Der Spiegel: "Of een arts de dood op de koop toeneemt of bewust veroorzaakt, is in de realiteit nauwelijks uit te maken." Deze vorm van mogelijke 'verkapte euthanasie' maakt duidelijk dat er ook in Duitsland, bijna net zo als vroeger in Nederland, vele artsen in een ethische en juridische schemerzone handelen en patiënten bij een snellere en lichtere kunnen dood helpen.
Mochten patiënten reeds in een stadium van wilsonbekwaamheid terecht zijn gekomen, kan in uitzonderingsgevallen ook de te veronderstellende wens van de patiënt vastgesteld worden, zodat vervolgens in overeenstemming daarmee beslist kan worden. Artsen en organisaties bevelen daarom schriftelijke wilsverklaringen aan, die bij het vaststellen van de wens van de zieke een belangrijke rol kunnen/ moeten spelen. Dit geldt zowel voor passieve als indirecte euthanasie.
Christoph Meyer is student Nederland-studies aan de Westfälische Wilhelms-Universität te
Münster en heeft meegewerkt aan de organisatie van de zesde Nederlands-Duitse Conferentie in januari 2002 in Potsdam.
Regelgeving in Nederland
Ministerie van Justitie
Regelgeving in Duitsland Bundesjustizministerium
Menschenwürde und Sterbebegleitung - Gedanken über den Umgang mit Leben und Sterben
Bundesministerium für Gesundheit