Nederlanders houden van de ronkende Trabant
Sterattractie onder DDR-resten is ook in Nederland cult
21-jun-2007
Tussen de bomen klinkt onophoudelijk gegier van versnellingsbakken en gereutel van kleine motoren. Grote mannen, velen met baard, staan op een open veldje ernstig verenigd rond geopende motorkappen, het voorhoofd in een frons, wijsvinger op de onderlip. Slierten rook van een houtvuur trekken over het kampement van de Trabant Club Nederland in een bos bij Epse (onder Deventer). De jaarlijkse bijeenkomst van de club is behalve een ontmoeting van autofans ook een toonbeeld van Nederlands-Duitse verbroedering: tientallen Duitsers zijn met hun voertuigen naar Epse afgereisd, voor sommigen een trek van honderden kilometers.
Na de val van de Muur wilde geen enkele DDR-burger de Trabantjes meer. Vol overgave stortte Oost-Duitsland zich op de glimmende bolides uit het Westen. De oude troep werd aan de kant gezet of verkocht. De Trabi was een overblijfsel van de DDR en behoorde net als de staat die de auto had voortgebracht op de mestvaalt van de geschiedenis. Wat moet je per slot van rekening met een auto die maar negentig kan op de snelweg?
Zeventien jaar later, op de vijftigste verjaardag van de auto, blijkt de Trabi zijn geboorteland met glans te hebben overleefd. De auto heeft zijn invloedssfeer zelfs uitgebreid en kan zich met recht een succesvol exportproduct noemen dat ook in Nederland een fanatieke aanhang heeft. Trabantclubs zijn er in bijna heel Europa, van Tsjechië tot Denemarken en België.

Een echte liefhebber heeft niet één Trabant, die heeft er minstens drie, weet voorzitter Paul Kievit van de Trabant Club. Gekocht op marktplaats, gekregen via vrienden of gewonnen bij een spelletje kaart. En eigenlijk is drie nog aan de zuinige kant. “Als je eenmaal met verzamelen bent begonnen, houd je nooit meer op. Wij noemen het trabantitis. Sommige van onze leden hebben er meer dan tien”, zegt Kievit, samen met zijn broer en zijn vader eigenaar van de Trabi’s Rudy, Karl-Heinz en Heidi. Met Heidi is Kievit naar Epse is afgreisd. Bouwjaar 1971, gekocht met een origineel Oost-Duits kenteken en inmiddels liefdevol gerestaureerd. De auto is papierwit, de kleur waarin verreweg de meeste Trabanten zijn gemaakt. Metallic lak bestond nog niet, althans niet in de DDR.
Vrijheid
De beroemdste Trabi is een schildering op de East Side Gallery, een bewaard gebleven stuk Berlijnse Muur dat na de Wende door internationale kunstenaars is beschilderd. De afbeelding stelt een Trabant voor die door het verfoeide bouwwerk heen breekt, een verwijzing naar de honderden soortgenoten die in de nacht van 9 op 10 november 1989 colonnegewijs door de geopende grensovergangen in de Muur heen tuften. En dat is precies de emotie die het autootje oproept bij huidige fans: de Trabant staat voor vrijheid. De DDR mag nog zo onfris zijn geweest, niets van de communistische erfenis is aan de Trabant blijven kleven.

“De Trabant gaf de gewone Oost-Duitsers vroeger de vrijheid eropuit te gaan. Met heel weinig konden ze toch heel veel doen”, zegt Mari van Sonsbeek. De Trabi-fan uit Bergen (bij Oss) zit samen met zijn vrouw Sjannie samengehokt in hun originele Oost-Duitse QEK-caravan, speciaal ontwikkeld voor de Trabant. Een grauwig ei op wielen waarin de twee Nederlanders al menige vakantie hebben doorgebracht. Het DDR-vlaggetje met hamer en passer dat tegen het achterraam van hun caravan hangt, is niet meer dan historische opsmuk; net als de rest van de Trabifans van de Nederlandse club moeten Mari en Sjannie niets hebben van het SED-regime.
“Het communisme was niet de schuld van de Trabi”, beaamt de uit het Duitse Wesel afgereisde Wolfgang Lingnau, Trabantrijder sinds 1994. “Door de val van de Muur zijn de Trabi’s vrijgelaten. Eindelijk konden ze naar buiten.”
Wegenwacht
Vraag: hoeveel arbeiders zijn er nodig om een Trabant te bouwen? Antwoord: twee. De één vouwt, de ander plakt.
In tegenstelling tot de verhalen die over de Trabi de ronde doen, zijn de auto’s niet 100 procent van kunststof gemaakt. Alleen voor de delen waar op metaal bespaard kon worden, zoals de opbouw, gebruikte de Sachsenring-fabriek in Zwickau een kunststof van samengeperste vezels: duroplast, een afvalproduct van katoen. Het spul is zo stevig dat je rustig op het dak van een Trabant kunt slapen. Daar zijn in de DDR zelfs speciale daktenten voor ontwikkeld. Het enige nadeel is de breekbaarheid van het materiaal, die een botsing tot een incident maakt dat ten allen tijde vermeden dient te worden.
Eenvoud en betrouwbaarheid zijn eigenschappen die het karaktervolle voertuig onweerstaanbaar maken voor zijn internationale fanschare. Zo kwijnde de auto van Christian Steinber en Arnold Kemtopf vijftien jaar weg onder een boom, alvorens de twee Duitsers hem opkalefaterden. “Hij was niet eens verroest”, zegt Christian. De twee bouwden de auto om tot een sieraard onder de Trabi’s, compleet met schuifdak, vette speakers, zilveren metallic lak en tribal-tatoos. Een Trabi is uitstekend te pimpen.

Je moet een beetje kunnen sleutelen, maar eigenlijk is iedereen in staat een Trabant te onderhouden. “Het is een uit de kluiten gewassen brommer”, zegt Brabander Van Sonsbeek. “Ik heb één keer een rubbertje vervangen voor 60 cent. Verder mankeert de auto nooit iets.” Er is inderdaad weinig dat kapot kan aan het tweetaktmotortje van de Trabi. Een benzinepomp ontbreekt bijvoorbeeld. Brandstof loopt van boven naar beneden de motor in. Of neem de benzinemeter. Onverwoestbaar. Grijnzend stopt Van Sonsbeek een peilstok in de tank en leest hem af.
Toch is het zeventien jaar na de val van de Muur onzeker hoe lang de Trabi's nog blijven rijden. Reserveonderdelen worden schaarser en duurder. Duitse cijfers spreken boekdelen: ruim 52 duizend stuks rijden er nog rond in Duitsland, vier jaar geleden waren dat er twee keer zo veel. Over vijftig jaar zie je alleen nog Trabanten in het museum, voorspelde de Süddeutsche Zeitung.
Hopelijk duurt het nog wat langer.
Bas de Rue is redacteur van het Duitslandweb.
Filmpjes:
'Trabant, de kunststof kameraad'. Documentaire van Holland Doc over de Trabant (aanrader, lang)
Trabantje in de prak rijden (1992)