'Flucht, Vertreibung, Integration'
Een diplomatieke, maar toch belangwekkende tentoonstelling in Bonn
20-dec-2005
Idyllische beelden van Silezië, Oost-Pruisen en andere Europese gebieden waar tot 1945 in meerderheid Duitsers leefden, ontbreken in Bonn. Het museum voor moderne Duitse geschiedenis Haus der Geschichte stuurt de blik vanuit 1945 voorwaarts: naar de beide Duitse staten, waar de verdrevenen opgevangen moesten worden. Het museum laat ook geen misverstand bestaan over de oorzaak van al deze narigheid. Achterop de prachtige catalogus staat het met vette letters gedrukt: "Alleen al in Europa moeten in de eerste helft van de twintigste eeuw tussen de zestig en tachtig miljoen mensen hun thuisland verlaten. Door toedoen van het nationaal-socialistische Duitsland, dat de Tweede Wereldoorlog ontketende, bereiken vlucht en verdrijving een nieuwe, verschrikkelijke dimensie. De Duitsers zijn, met tegen de veertien miljoen vluchtelingen en verdrevenen, het meest getroffen."
Al deze vluchtelingen moesten kort na de oorlog worden opgenomen in het verkleinde, kapotte Duitsland. Tien miljoen kwamen er in West-Duitsland terecht en vier miljoen in de DDR, waarvan een deel later ook in het westen belandde. Hoe deze ‘vreemde’ Duitsers werden ontvangen en hoe het hun verging staat centraal op de tentoonstelling in Bonn. Aan de hand van meer dan duizend documenten, objecten en fris opgetekende levensgeschiedenissen geeft de tentoonstelling een beeld van wat uiteindelijk een zeldzaam geslaagde integratie mag heten. Maar verdrevenen die hun leed ginds, tijdens hun vervolging in Polen en Tsjechië of verder weg, in Memelland of Roemenië bezongen willen zien, zullen worden teleurgesteld. Zij zijn niet de doelgroep van deze tentoonstelling.
KritischAan borstklopperij wordt in Bonn niet gedaan. Hoe zelfkritisch-Duits de toon is, blijkt al direct bij de ingang. Of beter, bij beide ingangen. Ze liggen vlak naast elkaar en je kunt aan beide kanten de expositie in, al is de ene als uitgang gedacht. Bij de officiële ingang val je direct in het wereldvluchtelingenprobleem van vroeger en nu, zodat elke verleiding om je enkel het lot van de Duitsers aan te trekken in de kiem wordt gesmoord. Sterker, je wordt eerst door een tunnel vol foto’s met de gruwelen van het nazibewind geleid, alvorens de volksverhuizing van de Duitsers te mogen volgen. Die laatste ramp werd, zoals onomwonden wordt uiteengezet, bepaald door de geallieerde machten – en zeker niet alleen door Stalins toedoen – die het volkerenrecht dat minderheden dient te beschermen, voor het gemak nog even buiten werking hadden gelaten.
Levensverhalen vormen een mooie rode draad door de tentoonstelling. Je trekt een kaartje uit een automaat dat, gestopt in diverse computerstations op de route, beetje bij beetje de Werdegang van één persoon te lezen geeft. Voor dit doel liet het Haus der Geschichte honderdvijftig mensen interviewen. Zoals Ruth Lücke, geboren in Oost-Pruisen in 1934, wier gezin door de oprukkende Russen nog genadig wordt behandeld, maar door de Poolse milities die erna arriveren een stuk minder. Het lukt Ruth en haar moeder per trein naar Meckelenburg te ontkomen. Via allerlei noodopvang bemachtigen ze ergens in Noordrijn-Westfalen een kamertje. Daar begint een nieuwe kwelling, want de nieuwkomers worden door de West-Duitse medemens bepaald niet warm onthaald.
Renaissance
Aan de andere ingang, eigenlijk dus bij de uitgang van de tentoonstelling, wordt de actuele omgang met de Duitse verdrevenen getoond. De laatste jaren kan van een ware renaissance van dit thema worden gesproken. Deze wordt, tamelijk gemakzuchtig, verbeeld aan hand van fragmenten van recente series op de Duitse televisie en uit bladen als Der Spiegel en ook van boeken, waarbij Günter Grass met zijn 'Im Krebsgang' uit 2002, zoals altijd, een eervolle plek krijgt. Ook de recente, soms buitenproportioneel negatieve reacties op het thema van de verdreven Duitsers in Polen en Tsjechië, maar ook in de Bondsrepubliek zelf, worden getoond.
Helaas blijft de tentoonstelling een helder antwoord schuldig op de vraag, waarom het thema juist nu zo heftig herleeft. Onder welke invloeden schreef Grass zijn novelle over de ondergang van het vluchtelingenschip de Wilhelm Gustloff, dat elders op de tentoonstelling als symbool voor alle omgekomen vluchtelingen wordt gethematiseerd? Een van die antwoorden zou gevonden kunnen worden bij jongere Duitsers, die naar de nieuwe EU-landen reizen en daar hun eigen familiegeschiedenis ontdekken.
TaboeBij de generatie vóór hen, die van ‘68’, was het thema taboe: de verdrijving was niet meer dan het verdiende loon voor Hitlers helpers. Ook hun ouders hielden vaak de mond stijf dicht, als ze niet in de folkloreclubs van verdrevenen actief waren. In de DDR was het woord ‘verdrevenen’ sowieso taboe. Een ander antwoord is het heroplevende nationalisme in landen als Polen en Tsjechië dat, paradoxaal genoeg, de waarheidsvinding over het communistische tijdperk in de weg staat. Deze maand verklaarde de nieuwe Poolse premier in een interview het woord ‘verdrevenen’, als het om Duitsers gaat uit de gebieden die in 1945 Pools werden, wederom tot taboe.
Ook door jonge Polen die hun Duitse wortels ontdekken, mag het thema zich in een hernieuwde belangstelling verheugen. Verleden week was Wojciech Kuczok voor een lezing in Amsterdam, de auteur die voor zijn roman 'Gnój', hier uitgebracht als ´Beerput´, verleden jaar Polens belangrijkste literaire prijs ontving. Kuczok beschrijft in dit boek het drama van een jongetje dat opgroeit in een tiranniek Silezisch gezin. Tussen de regels door wordt duidelijk dat de trauma’s van dit gezin terug te voeren zijn op een Duitse achtergrond, een werkelijkheid die in het naoorlogse Polen verzwegen moest worden.
Kuczoks roman is niet autobiografisch, maar hij vertelde in Amsterdam wel hoe geshockeerd hij was toen hij thuis op zolder foto’s vond van zijn Duitse oudoom in het uniform van de Wehrmacht en speelgoed met vage Duitse woorden erop. Hij durfde deze achtergrond weliswaar in 'Beerput' te verwerken, maar hij wil zichzelf absoluut niet tot de Duitse of half-Duitse minderheid in Polen rekenen. Deze achterblijvers werden tot de val van het communisme flink gediscrimineerd en worden sindsdien scheef aangekeken, omdat ze een Duits paspoort konden krijgen. Deze groep vormt de keerzijde van het tentoonstellingsthema. Niet alleen in Polen, ook in het politiek correcte Duitsland wordt hun lot ongaarne aangekaart. Het is jammer dat het Haus der Geschichte zich bij dit taboe heeft aangesloten.
BelangrijkNiettemin is ´Flucht, Vertreibung, Integration´ een belangrijke tentoonstelling. Al was het maar omdat de schoolklassen die door het Haus der Geschichte banjeren, schrikbarend veel kennis moeten inhalen. Dat blijkt uit een enquête die in opdracht van het museum is uitgevoerd. De jonge Duitsers die werden ondervraagd voelen zich, zoals gezegd, emotioneel wel bij bij het thema betrokken. Bijna iedereen heeft familieleden die tot de verdrevenen behoren. Maar feitelijk weet de jeugd over de voormalige Duitse gebieden even weinig als over Afrikaanse landen. En in Polen wordt door jong en oud, zo blijkt, het aantal uit hun land verdreven Duitsers zeer onderschat. Maar ook in Nederland word je doorgaans ongelovig aangekeken wanneer je vertelt, dat naar schatting anderhalf tot twee miljoen Duitsers bij hun vlucht of verdrijving omkwamen.
In de Duitse media zijn de reacties op ´Flucht, Vertreibung, Integration´ ronduit positief, terwijl een schandaal in de buurlanden is uitgebleven. De tentoonstelling kan dan ook als ‘diplomatiek’ worden bestempeld. Net zo diplomatiek als de geste van bondskanselier Angela Merkel, eerder deze week in Brussel, om een kwart van de vier miljoen euro die de Europese Unie voor Oost-Duitsland heeft bestemd, voor Oost-Polen beschikbaar te stellen.
'Flucht, Vertreibung, Integration' in het Haus der Geschichte te Bonn. Tot 17 april 2006, iedere dinsdag tot zondag van 9.00 tot 19.00 uur. De toegang is gratis. Tot 17 april 2006, iedere dinsdag tot zondag van 9.00 tot 19.00 uur.
De toegang is gratis.