Hedendaags kamperen bij Stasi en Luftwaffe
Creatief zijn is hoofdzaak in Berlijn
10-mei-2007
Gebouwen zijn de meest zichtbare dragers van geschiedenis. Dat lijkt een lachwekkend triviale constatering. En misschien sta ik er juist daarom zo zelden bij stil. Zelfs niet hier in Berlijn waar de woelige twintigste eeuw zijn sporen nadrukkelijk heeft nagelaten. Neem de Berliner Dom en de Fernsehturm. De afstand tussen deze twee kolossen bedraagt hoogstens 500 meter.
In een opwelling van historische precisie wandelde ik vorige week een van de vele toeristenwinkels binnen die deze halve kilometer rijk is. Het reisgidsje dat ingeklemd lag tussen de levensgrote stoplichtmannen vertelde me dat de gebouwen maar 64 jaar na elkaar zijn opgeleverd; de Dom kwam gereed in 1905 en de TV-toren in 1969. Toch verwijzen ze naar twee totaal verschillende werelden. De neo-renaissancistische dom ademt de gedragen sfeer van het Duitse keizerrijk, de Fernsehturm symboliseert de torenhoge ambities van de socialistische heilstaat. Een hoofdstad is een visitekaartje uit steen en ijzer. En dus verandert bij iedere grootscheepse politieke ommezwaai ook de gezichtsuitdrukking van Berlijn.
ScheurpaleisHet herenigen van de twee delen van Berlijn was als het – medisch onmogelijke – samenvoegen van een Siamese tweeling die eerder succesvol is gescheiden. Exemplarisch voor het identiteitsprobleem dat zich na de eenwording onvermijdelijk aandiende, is de jarenlang gevoerde discussie over de toekomst van het Palast der Republik, het stedenbouwkundige koekoeksjong naast de Berliner Dom op het Schlossplatz. Van het voormalige volkspaleis staat inmiddels enkel nog het metalen karkas overeind. Straks woont hier een kudde verveelde yuppen, achter een door de nationale overheid gefinancierde façade van het voormalige Berlijnse stadsslot. Isn’t that ironic?
Voor de meest verstokte Palast-fans heeft de toeristische industrie een afkickmethode ter beschikking gesteld: een scheurblok met op de zijkant een afbeelding van het Volkspaleis. Bezitters van zo’n blok kunnen het Palast velletje voor velletje, op eigen tempo, wegscheuren. Gelukkig is het onmogelijk om alle gebouwen met een ongewenste historische bijsmaak af te breken. Er zou weinig van Berlijn over blijven.
WereldreisLaatst hoorde ik bij toeval over een gebouw dat in verschillende functies drie politieke constellaties heeft overleefd. Een goede vriend vertelde mij vol enthousiasme over zijn atelier in het European Creative Center (ECC), een oud fabrieksgebouw dat ruimte biedt aan honderdvijftig kunstenaars en een aantal kleine bedrijfjes. En passant vertelde hij dat in het complex ooit meetinstrumenten voor de Luftwaffe werden vervaardigd en dat de Stasi er later haar hoofdkwartier voor ‘Personen- und Objektschutz’ had ingericht. Dat klonk interessant.

"Waar is het eigenlijk?" vroeg ik. "In Weissensee", antwoordde mijn vriend. "Weissensee," echoode ik verbaasd, had je niet iets in de buurt kunnen zoeken? Hij haalde zijn schouders op, nam een trek van zijn sjek en zei enkel "kom maar langs". "Als ik ooit zin krijg in een wereldreis hoor je nog wel van me", grapte ik. Maar mijn nieuwsgierigheid was gewekt. Dus fietste ik een dag later met de avondzon in mijn rug naar Weissensee, een van de vele dorpjes die in de loop van de negentiende eeuw werd opgeslokt door de woekerende metropool. De fietstocht bleek de moeite waard: ik viel als een blok voor dit reusachtige fabrieksgebouw met zijn begroeide binnenplaats
Even later verschijnt mijn met zaagsel bestrooide vriend in de deuropening. We gaan zitten aan een van de picknicktafels die rond een houten bungalow op de binnenplaats zijn opgesteld. "Is dit de Biergarten", vraag ik. "Wordt", antwoordde vriend. "Wanneer?" "Een keer." "Ach so." Vriend bleek zich te hebben verdiept in de geschiedenis van het pand in verband met ‘De Dag van de Open Deur’, die ergens deze zomer – ik vroeg maar niet wanneer – plaats zal vinden.

De fabriek is in 1939 gebouwd in de stijl van de ‘Nieuwe Zakelijkheid.’ Ik kijk naar de afgebladderde kozijnen en de warmrode bakstenen en concludeer dat het er op dit moment noch nieuw, noch zakelijk uitziet. Nieuwsgierig volg ik vriend naar binnen. De toekomstige expositieruimte op de begane grond is reusachtig. In een hoek staat een caravan geparkeerd. Verspreid door de ruimte slingeren een aantal kleinere objecten: twee verstrengelde stekkerdozen, een WC-pot, twee theekoppen met een gouden randje, een spade en een aangebroken pot aardbeienconfituur. Met een beetje fantasie kun je er een tentoonstelling over hedendaags kamperen in zien, bedenk ik.

Maar het spannendste deel van mijn verkenningstocht speelt zich even later buiten af. Hier hebben de vorige gebruikers hun sporen nagelaten. Zo is hier een heuse ‘Luftschutzbunker’. Grinnikend om onze kinderlijke hang naar avontuur klauteren we over het gaas en schuifelen op de tast de pikdonkere trap af. Al snel loop ik tegen een muur. De grootte van de bunker valt een beetje tegen. Weer boven de grond gekomen gaan we op weg naar het souvenir van de Stasi: de wachttoren. Het betonnen torentje dat we aantreffen, is zo klein en schattig dat ik in lachen uitbarst. Ontdaan van hun politieke context zijn steen en beton beduidend minder gevaarlijk.
Het toekomstige stadsslot en het ECC zijn beide bouwstenen van het nieuwe gezicht van Berlijn: de stad waar je kunt wonen achter neo-wilheminische façades en waar in een voormalig Stasi-hoofdkwartier ‘Dag van de Open Deur’ wordt gehouden. "Hauptsache man bleibt kreativ", zo luidt hier het motto.