© Duitsland Instituut Amsterdam Duitsland Instituut Amsterdam

Als sneeuw voor de zon

Lentekriebels bestaan!

11-apr-2007Sterre Lindhout

(11 april 2007) Berlijn heeft de lente in haar bol. De Berlijners gaan naar de kapper, houden grote schoonmaak of bekommeren zich om een ijsbeer. Zelfs de Berlijnse politie lijkt aangestoken door het lentevirus.

Sterre LindhoutGeen idee hoe laat het is. Ver in de middag. Zondag. Een plagerige zonnestraal prikt langs het glas van mijn zonnebril precies in mijn oog. De hemel is blauw. Alleen de kale bomen verraden het jaargetijde. Ik heb mijn trui uitgetrokken. Het picknickkleed kriebelt aan mijn armen. De temperatuur van mijn in zwarte panty gehulde benen nadert het kookpunt. Maar bloot kan ik ze, gezien hun fluoriserend-witte staat, nog niet tonen aan de Duitse natie.

Op de kade van het Landwehrkanaal koesteren drie Turkse opaatjes hun gelooide gezichten in het zonlicht. Ik hoor een symfonie van bestek tegen borden, fietsbanden op grind en kibbelende kinderstemmen. Dit alles ondersteund door de doffe beat van een voetbal tegen een garagedeur. Naast me snurkt een vriend in zijn krant: Het is lente in Berlijn!

Alles wird Knut…

Anderhalve week geleden sneeuwde het nog. Mensen snelden met opgetrokken schouders, weggedoken in capuchons en kragen, vanuit hun voordeur naar de dichtstbijzijnde U bahn-halte. Nu blikkeren de zonnebrillen je tegemoet en waagt een enkeling zich zelfs aan slippers. Op kruispunten krioelt het van de fietsers en ijsetende slenteraars. Het plotseling ingetreden voorjaar houdt de Berlijners in haar greep. Een Duitse collega duidde het fenomeen aan als ‘Frühlingseuphorie.’ Tot nu toe dacht ik dat zoiets alleen invloed had op kinderen en jonge dieren, maar in Berlijn lijkt de hele bevolking aangestoken door de lentekriebels. Zo houdt mijn huisgenoot schor neuriënd grote schoonmaak in de keuken, drukt een marktkoopman mij spontaan een appel in de hand en blijkt op maandag minstens de helft van mijn collega’s naar de kapper te zijn geweest.

En wie niet weet waar hij met zijn lentegevoelens heen moet, kan die naar hartenlust projecteren op de nationale knuffelbeer. Knut is ingeslagen als een bom! Ik kan niet ontkennen dat het van een wisse dood geredde ijsbeertje mijn hart doet smelten, maar de mediahype om hem heen is werkelijk buiten proportie. ‘Alles wird Knut’, kopte de Frankfurter Allgemeine Zeitung vorige week. De redactie had duidelijk de lente in haar bol.

Meer groen op straat

Lentekriebels bij de Berlijnse politie? (2004) Afbeelding: www.berlin-motive.deDe hele stad draait op een hogere versnelling. Dat lijkt de meeste Berlijners te bevallen. De politie ziet de toegenomen losbandigheid echter met lede ogen aan. Zoals een hete zomer onherroepelijk wespen met zich meebrengt, betekent voorjaar in Berlijn ‘meer groen op straat’. De agenten staan te zweten in hun donkergroene uniformen en kijken nors voor zich uit. Ze lijken de enige die niet zijn aangetast door de algehele euforie. Tenminste, dat dacht ik.

Deze week kwam ik maar liefst twee keer in aanraking met de sterke arm der wet. Mijn eerste ontmoeting vond plaats op het dak. Volgens mijn Duitse huisgenoot en zijn vrienden is de lente pas een feit, als je op het dak hebt gebarbecued. Dat deden we dus maar: met een man of tien zaten we gehurkt in de luwte van de schoorsteen met hamburgers, bier en wollen dekens. Net toen we ons goed en wel geïnstalleerd hadden, riep de jongen die naast het trapgat zat dat de politie in aantocht was. Ik dacht dat hij een grap maakte, maar niets bleek minder waar. In de ganzenpas arriveerden drie agenten licht hijgend op onze picknickplek. Ze sommeerden ons de meegenomen emmer water over de barbecue te gooien en onszelf van het dak te verwijderen. Het liep af met een sisser: de boete waarmee werd gedreigd bleef gelukkig achterwege.

Twee avonden later fietste ik door een lange straat in Kreuzberg. Ik ademde een flinke teug voorjaarslucht in en racete uitgelaten over een kruispunt. Opeens doemde in mijn ooghoek een blauw zwaailicht op. De bijbehorende groenwitte Volkswagen stopte en de bestuurder gebaarde mij hetzelfde te doen. Een indrukwekkend besnorde agent draaide het raampje open en sprak de woorden: ‘bent u levensmoe, of hoe zit het?’ Vervolgens vroeg hij of ik me ervan bewust was dat ik in de afgelopen tien minuten vijf keer door een rood stoplicht was gereden. Ik knikte vaag. Ik had willen antwoorden dat ik me vanwege de lente juist levender voelde dan ooit en dat ik daarom misschien niet zo goed op het rode licht had gelet, maar iets in het gezicht van de agent vertelde me dat ik dat beter niet kon doen. Dit gaat je zestig euro kosten, sprak een tweede agent vanaf de bijrijdersplaats en trok gretig zijn bonnenboek tevoorschijn. De snor schudde echter zijn hoofd, mompelde iets tegen zijn collega, knipoogde naar me en gaf gas. Zouden zelfs agenten voelen dat het lente is?

Behoedzaam fietste ik verder door de voorjaarsnacht. Ter hoogte van station Schlesisches Tor, waar het wemelt van de Dönertenten, moest ik wachten voor een rood licht. En daar stonden mijn belagers. Breed lachend, ieder een grote döner in de hand. Het busje stond met knipperende zwaailichten op de stoep geparkeerd. Mijn laatste twijfels verdwenen als sneeuw voor de zon. Hier stond het levende bewijs: Lentekriebels bestaan, in ieder geval hier in Berlijn.

Sterre Lindhout werkt voor de Nederlandse ambassade in Berlijn.