Herfst in Holland
'Sympathie voor de RAF’ van Jacco Pekelder
2-okt-2007
Dat maak je niet vaak mee: een auteur die in zijn boek alvast zichzelf recenseert. In de epiloog van zijn ‘Sympathie voor de RAF’ legt Jacco Pekelder unverfroren uit waarom zijn boek zo goed is. De auteur is ervan overtuigd "dat dit boek de lacune in de kennis over de Rote Armee Fraktion in Nederland goeddeels vult". Dat is helaas een wat overmoedige kwalificatie. Er blijven, zoals verderop blijkt, nog heel wat vragen over.
Wel juist is Pekelders bewering dat het boek "helderheid schept over de schietpartijen die Nederland tijdens de Duitse herfst verrasten, vooral over de daders Knut Folkerts, Christof Wackernagel en Gert Schneider". Pekelder reconstrueert nauwgezet de bloedige gebeurtenissen in Den Haag, Utrecht en Amsterdam, waarbij één Nederlandse politieman de dood vond en enkele andere licht tot zwaar gewond raakten. Bovendien neemt Pekelder de moeite om de achtergronden te schetsen. Hij biedt een korte, nogal nuchtere geschiedenis van de Rote Armee Fraktion en beschrijft vervolgens hoe Folkerts, Wackernagel en Schneider bij de RAF terechtkwamen, wat ze in Nederland kwamen doen en hoe ze, eenmaal ingerekend, de Nederlandse justitie op de proef stelden.
"Daarnaast haalt dit boek nieuws naar boven over de Nederlandse advocaten, artsen en activisten die in 1977-1978 heel specifiek bijstand verleenden aan deze drie RAF-gevangenen," vervolgt Pekelder. Ook dat klopt. De kern van Pekelders boek is het verhaal over de Nederlanders die zich in de jaren 1977/78 om het lot van Folkerts, Wackernagel en Schneider bekommerden. Het "nieuws" dat Pekelder daarbij naar boven haalt, stamt uit een partij dozen met documenten die hij kreeg toegespeeld door de Maastrichtse advocate Josephine Dubois-Brinkmann. Hij heeft die dozen grondig doorgespit en er weliswaar geen sensationele maar toch veelzeggende documenten in gevonden. Daarnaast sprak Pekelder een aantal betrokkenen persoonlijk, waardoor hij in staat was de soms nogal technisch-juridische kwesties meer kleur te geven.
Perfectere isolatieDubois-Brinkmann maakte destijds deel uit van de kringen rond het Medisch-Juridisch Comité voor Politieke Gevangenen. Dat Comité kwam tot stand in het kielzog van de procesen tegen Ronald Augustin, de jonge graficus die begin 1975 in Duitsland werd veroordeeld omdat hij de RAF had geholpen. Aan de geschiedenis van dat Comité laat zich aflezen hoe het met de sympathie voor de RAF in Nederland was gesteld en hoe die met name door het geweld van de Duitse Herfst veranderde. In die geschiedenis speelden niet alleen politiek geëngageerde juristen en artsen een rol, maar ook linkse extremisten uit de hoek van de Rode Jeugd en het Rood Verzetsfront en verontruste journalisten van met name Vrij Nederland.
Het materiaal van Dubois-Brinkmann heeft vooral betrekking op de juridische en politieke touwtrekkerij rond de gevangen Folkerts, Wackernagel en Schneider. Uitvoerig gaat Pekelder in op de kwestie van de uitlevering aan Duitsland en op de conflicten over de behandeling van de RAF-leden in de Nederlandse gevangenissen. De auteur komt tot de opmerkelijke conclusie dat de veel beklaagde ‘isolatie’ van de gevangenen "in Nederland perfecter lijkt te zijn geweest dan die in de Bondsrepubliek doorgaans was". Maar Pekelder neemt daarbij "de wanorde in Stammheim" als graadmeter, terwijl bijvoorbeeld in Köln-Ossendorf de isolatie van RAF-gevangenen op sommige punten veel rigoureuzer was dan in Nederland.
Angst voor het 'Modell Deutschland'De beste passages in Pekelders boek zijn gewijd aan de motieven van de artsen, advocaten en journalisten die zich voor de RAF-gevangenen inzetten. Wat ze min of meer allemaal deelden was hun angst voor het ‘Modell Deutschland’, de angst dat Nederland zou afglijden naar een politiestaat waar alles wat links was onder de verdenking van terrorisme zou komen te staan. Maar daarnaast waren er grote verschillen in de mate waarin ze zich met de RAF vereenzelvigden. Advocaat Herman Pieter Bakker Schut ging daarin heel ver, terwijl collega Willem van Bennekom steeds weer twijfels koesterde en de jonge, aanstormende Gerard Spong al snel afhaakte omdat hij zich niet voor de kar van de RAF wilde laten spannen.
De waarde van Pekelders boek ligt vooral in de minutieuze beschrijving van de verwikkelingen rond Folkerts, Wackernagel en Schneider. Over de verdere contacten tussen de RAF en haar Nederlandse sympathisanten vóór, tijdens en na die ‘Herfst in Holland’ biedt het boek anders dan Pekelder beweert geen nieuws. Hij geeft geen antwoorden op de talloze openstaande vragen daarover.
Om er een paar te noemen: Was er, zoals voormalig geheim agent Frits Hoekstra in verschillende publicaties suggereert, Nederlandse hulp bij het onderbrengen van de door de RAF gegijzelde werkgeversvoorzitter Schleyer in Den Haag? Wat is er precies waar van de verhalen die oud-leden van de Rode Jeugd vertellen over het leveren van wapens en explosieven aan de RAF in de vroege jaren zeventig? Waren er Nederlanders betrokken bij de opslag van wapens, explosieven en valse papieren door de RAF in ons land? Op welke manier stond het Rood Verzetsfront eind jaren zeventig met de RAF in contact? Welke rol speelde Ronald Augustin na zijn vrijlating in 1980 in het verkeer tussen de RAF en Nederland?
- Jacco Pekelder, ‘Sympathie voor de RAF: De Rote Armee Fraktion in Nederland, 1970-1980
Mets & Schilt, Amsterdam 2007 € 25,00
ISBN 978 90 5330 579 9