De gedaanteverandering van een schrijver
Martin Walsers dagboeken
28-dec-2005
In de tussenliggende jaren heeft zich in de Bondsrepubliek het Wirtschaftswunder voltrokken en achter deze succesvolle wederopbouw van het door de oorlog verwoeste land lieten de West-Duitsers stilzwijgend het nazi-verleden verdwijnen. Onder bondskanselier Adenauer vond een burgerlijk-conservatieve restauratie plaats, waarbij de vraag naar schuld en boete werd verdrongen.
Het is goed om dit alles even in herinnering te roepen, want in de dagboeken ontbreekt deze achtergrond. De sociaal-maatschappelijke werkelijkheid van de nog jonge Bondsrepubliek in die jaren en het vraagstuk van de aanpassing en het opportunisme in en na de oorlog heeft Walser destijds beschreven in zijn roman ‘Halbzeit’ (1960) en het toneelstuk ‘Eiche und Angora’ (1962). Maar in zijn dagboeken gaat het om iets anders. Hierin wordt getracht het wordingsproces van een schrijver onder woorden te brengen.
GedaanteveranderingIn deze dagboeken vindt een gedaanteverandering plaats. Uit de jonge redacteur en medewerker van de Zuid-Duitse omroep SDR in Stuttgart groeit de schrijver Walser. Die transformatie geschiedt tijdens een zoektocht in de jaren vijftig naar een eigen taal en stijl, en naar de vraag hoe de werkelijkheid om te vormen tot literatuur zonder de waarheid geweld aan te doen. Nu, tientallen jaren later, maakt Walser de lezer deelgenoot van deze literaire oefeningen die niet altijd lukken. Op 23 februari 1954 noteert hij: “Oefeningen die als schepen stranden. Zinnen die als honden janken. Gedachten die stinken als kattenpis.”
Walsers blik is in zijn dagboeken naar binnen gericht. Hij is ook op zoek naar zichzelf. Begin 1952 schrijft hij: “Verder, verder, verder. Onordelijk ben ik nog. Hoeveel van mijn ijdelheid moet ik bestrijden? Hoeveel van mijn eerzucht koesteren? Rijpelijk overwogen openheid met schadelijke, opschepperige onverbloemdheid. Eerlijk, slim, verstandig en sluw, openhartig en vals: ik haal rotstreken met mezelf uit. In dit jaar gaat het er alleen maar om hoe geschreven wordt. Dat is de basis van alles.”
KwellingDit zichzelf waarnemen en beschrijven is soms een kwelling. In 1957 ligt Walser in het ziekenhuis, hij heeft galstenen en lijdt erg onder deze “loden vuist in de maagstreek”. Alleen het dagboek biedt afleiding. Toch noteert hij: “Niets is erger dan het geregeld schrijven in het dagboek, ook al is het helemaal niet voor publicatie bestemd, maar welk dagboek is dat niet! Het sluipt toch helemaal vanzelf in de in kleine letters schrijvende, zorgvuldig noterende geest, de corrumpering is onvermijdelijk. Het is om te kotsen dat ik met dit papier moet converseren. Maar ik heb niets anders. Lezen kan ik niet meer, schrijven ook niet. Liggen evenmin. Dus smeer ik mezelf als slechte marmelade op papier. Kleverig. Zoetig. Walgelijk.”
Als Walser de blik naar buiten richt, wat gelukkig ook voorkomt, dan is het om letterlijk naar buiten te kijken, naar de natuur, en wat daarin gebeurt. Begin augustus 1961 schrijft hij uitvoerig over een stervend musje. De rest van de Bondsrepubliek heeft in die dagen geheel andere zorgen: op 13 augustus wordt in Berlijn de Muur gebouwd.
Politiek en vrouwen
De politiek komt in de dagboeken nauwelijks voor. Alleen op 26 mei 1961 wordt kort gememoreerd: “Van Berlijn naar Bonn. Willy Brandt.” Wat hier wordt aangeduid is dit: Walser had deelgenomen aan een schrijverscongres in Oost-Berlijn en op de terugweg naar huis, naar Friedrichshafen aan de Bodensee, was hij even in Bonn om met SPD-voorzitter Willy Brandt te overleggen over de vraag hoe Duitse schrijvers en intellectuelen hem konden ondersteunen in de komende verkiezingsstrijd tegen Adenauer. Dit geschiedde in de vorm van een boek: ‘Die Alternative oder brauchen wir eine neue Regierung’, waarvan Walser uitgever werd, ofschoon hij de SPD kritisch beoordeelde.
Een terugkerend onderwerp is de vrouw en haar erotische aantrekkingskracht. Walser, die in 1950 trouwt met Käthe Neuner-Jehle, blijft er uiterst gevoelig voor. Op 18 augustus 1958 noteert hij de zin: “Goed papier is als de huid van een mooie vrouw, het animeert en men kan niet ophouden er overheen te strijken en de verrassingen te bewonderen, die uit deze aanraking ontstaan.”
OefeningenWalser verzuimt niet ontmoetingen met andere schrijvers te vermelden, onder wie de Nederlandse auteur Adriaan Morriën, en vooral met Siegfried Unseld, zijn vriend en uitgever bij Suhrkamp. Maar verder staan de dagboeken, zoals gezegd, vol met literaire oefeningen: aforismen, gedichten, realistische en surrealistische prozafragmenten, en ontwerpen en fragmenten voor onder meer ‘Halbzeit’ en ‘Eiche und Angora’, dit alles afgewisseld met vaak snel op papier gezette tekeningetjes.
De lezer bevindt zich in de werkplaats van de auteur. Daar is het nodige te zien. Maar wil hij er ook werkelijk urenlang vertoeven? Die vraag moet helaas ontkennend worden beantwoord. De dagboeken beslaan 660 pagina’s en dat is waarlijk te veel van het goede.
Jan Luijten is journalist en heeft in het verleden geschreven voor de Volkskrant.
- Martin Walser, ‘Leben und Schreiben - Tagebücher 1951-1962’
Rowohlt, 666 pagina’s, € 22,90
ISBN 3 498 07355 9