© Duitsland Instituut Amsterdam Duitsland Instituut Amsterdam

De oorlog in gedachten

Recente aandacht voor de Eerste Wereldoorlog

26-aug-2004Pim Huijnen

In augustus was het precies negentig jaar geleden dat de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Na bijna een eeuw roept hij nog altijd vragen op. Dat blijkt niet alleen uit de vele, nog altijd voortdurende, brandhaarden die hun oorsprong vinden in de 'oercatastrofe van de twintigste eeuw', maar ook uit het feit dat de historiografie over de Eerste Wereldoorlog nog dagelijks wordt uitgebreid, aangevuld met documentaires en tentoonstellingen.

Stalen helm. Varkenskoppen en punthelmen waren geliefde motieven voor de Franse propaganda. Copyright: Historial de la Grande Guerre, Péronne In die laatste categorie heeft het Deutsches Historisches Museum in Berlijn recentelijk een bijdrage geleverd met de tentoonstelling 'Der Weltkrieg. Ereignis und Erinnerung. 1914-1918', waarvan de uitgebreide catalogus ook na afloop verkrijgbaar blijft. Op het eerste gezicht verschilt de expositie qua opzet niet wezenlijk van andere en eerdere tentoonstellingen over dit thema. Wat haar echter interessant maakt, is de aandacht voor ervaring, herinnering en de daaruit voortvloeiende mythevorming die zo nauw met de Eerste Wereldoorlog verbonden is. Met deze mentaliteitshistorische benadering sluit ze bovendien aan op een al langer durende historiografische trend.

Eén van de meest gecultiveerde mythen die tijdens de oorlog ontstonden en die in Berlijn een centrale plaats inneemt, is die van de frontsoldaat. De dappere en onverzettelijke soldaat die zijn plicht kent en voor het vaderland naar het front trekt werd een geliefd propagandamiddel, niet alleen om mannen aan te sporen zich in het harnas te hijsen, maar ook om de nationalistische gevoelens bij het thuisfront warm te houden. In de tentoonstelling blijkt deze cultivering van de frontsoldaat vooral uit affiches en kunstuitingen als schilderijen en sculpturen. In Duitsland werd deze mythe ook na de oorlog bewust levend gehouden door vol te houden dat de oorlog verloren was door de acties van binnenlandse dissidenten - de zogenaamde dolkstootlegende - maar dat Duitsland op het slagveld nooit verslagen was en de oorlog zelfs nog had kunnen winnen.

Een ander voorbeeld van mythevorming present op de tentoonstelling - en die daar en in de catalogus tot uitdrukking wordt gebracht door affiches, karikaturen en kunstvoorwerpen - is die van vermeende gruweldaden. Aan Duitse militaire zijde heerste oprechte angst voor Belgische en Franse vrijwilligerskorpsen - in het Duits Franktireurs genoemd - die zich van guerrillamethoden zouden bedienen en de vijand op gruwelijke wijze zouden bejegenen. Andersom heeft vooral het meedogenloze Duitse geweld in België in de eerste maanden van de oorlog de toon gezet voor de geallieerde beeldvorming van de Duitse soldaat in de Eerste Wereldoorlog.

Gruweldaden
Amerikaans affiche van Ellsworth Young, dat mensen moest aansporen waardepapieren te kopen bij de Liberty Loan, om de VS daarmee in staat te stellen Europa te bevrijden van de 'barbaarse' Duitsers. Copyright: Deutsches Historisches Museum, Berlijn Hoe wezenlijk de rol was die die gruweldaden van de respectievelijke vijand aan beide zijde in de propagandaoorlog speelde, is onderwerp van een onlangs naar het Duits vertaalde studie van de Ierse historici John Horne en Alan Kramer. Hun 'Deutsche Kriegsgreuel 1914. Die umstrittene Wahrheit' (oorspronkelijke titel: 'German Atrocities, 1914. A History of Denial') geeft een nauwgezette analyse van hoe de Duitse oorlogsmisdaden na de inval in België in augustus 1914 in de geallieerde landen gedurende het hele verdere verloop van de oorlog voort bleven leven.

Horne en Kramer beschrijven gedetailleerd hoe de Duitsers in de zomer van 1914 in België huishielden. De massaslachting in en verwoesting van de stad Leuven zijn bekende feiten, maar waren zeker niet de enige excessen. De auteurs hebben berekend dat de Duitsers tussen augustus en oktober 1914 6247 Belgische burgers hebben omgebracht en rond de 20.000 huizen hebben verwoest. De auteurs maken vervolgens duidelijk hoe de mythe van de Franktireurs bij deze oorlogsmisdaden een rol speelde. Verhalen over Belgische burgers die Duitsers zouden afslachten deden onder de Duitse troepen de ronde en maakten uiteindelijk dat zij gejaagd en paniekerig op de Belgische bevolking reageerden. Van georganiseerde Belgische en Franse burgertroepen is volgens de auteurs in werkelijkheid evenwel nooit sprake geweest.

Op hun beurt lokten de Duitse oorlogsmisdadigers mythevorming aan geallieerde zijde uit. Vooral het beeld dat Duitse soldaten de handen van hun slachtoffers zouden afhakken veroorzaakte grote opschudding. Volgens Horne en Kramer diende de geallieerde mythevorming in de oorlog een wezenlijk doel. De Duitse inval in België werd vergeleken met een aanval van barbaren, waarop Frankrijk en Engeland niet anders konden reageren dan met het verdedigen van hun beschaving. Gedurende de hele oorlog verleende die zwart-witte beeldspraak van de Duitse barbarij tegenover de geallieerde beschaving de geallieerde machthebbers een reden om door te vechten - en de oorlog in feite een zin te geven. Omdat de gebeurtenissen in de zomer van 1914 in België door zowel de Duitse als de geallieerde zijde geïnstrumentaliseerd werden en een belangrijke peiler vormden van de propagandaoorlog, werd van beide zijde geen serieuze poging ondernomen uit te zoeken wat zich daadwerkelijk had afgespeeld. Daarom kon Duitsland ook na de oorlog de beschuldigingen blijven afdoen als geallieerde propaganda, zodat hun beeld van het eerlijke en heldhaftige leger geen schade hoefde op te lopen.

Horne en Kramers toonaangevende studie laat zien hoe belangrijk mentaliteitsgeschiedenis kan zijn voor het begrip van het verleden. Wat daadwerkelijk gebeurd is vormt niet de kern, maar slechts de aanleiding voor een proces dat zich voornamelijk afspeelt in de hoofden van mensen en in het collectieve geheugen. Dit proces, niet het gebeurde zelf, beïnvloedt vervolgens de publieke opinie en daarmee de loop der dingen.

Oorlogservaring
Karl Hampe (1896 - 1936) Egodocumenten lenen zich uitstekend voor historisch onderzoek naar ervaringen en herinneringen - dus de mentaliteitgeschiedenis. Het deze zomer uitgebrachte oorlogsdagboek van de Oldenburger mediëvist Karl Hampe laat dit op overtuigende wijze zien. Zijn 'Kriegstagebuch 1914 - 1919' geeft een open inkijk in de mentaliteit van het Duitse Bildungsbürgertum. Hampe belichaamde de 'geest van 1914', de optimistische stemming die in de zomer van 1914 vooral onder stedelijke intellectuelen heerste. Op 2 augustus, de dag dat de oorlog uitbrak, noteerde de geschiedenis-professor "De sfeer wordt steeds serieuzer, maar ook steeds kalmer. Men begrijpt langzaamaan dat er slachtoffers zullen vallen, zoals in 1813. […] Als iedereen zijn plicht doet, dan kan ons land niet verliezen."

Tekenend genoeg schildert hij de situatie in dezelfde dagboekaantekening zo, alsof Duitsland zich moet verdedigen tegen een vijandelijke inval - zoals Pruisen zich in 1813 verdedigde tegen bezetter Napoleon. Die houding verandert hij niet gedurende de oorlog. Hoewel de moed bij vlagen zinkt, blijft hij hopen op een goede afloop - dat wil zeggen: op een overwinning voor Duitsland. "De ellendigste dag van mijn leven", noemt hij dan ook de dag vóór de wapenstilstand op 11 november 1918. Als trotse nationaal-conservatief moet hij toezien hoe, boven op de smadelijke nederlaag van Duitsland, de keizer van de troon gestoten is en "het gepeupel" op straat de revolutie verkondigt.

Hampes dagboek vormt daarmee een rijke bron over de oorlogservaring van een thuisblijver, zoals Jünger, Barbusse, Graves, Manning en vele anderen dat voor de frontsoldaat hebben beschreven - en zoals ook een indrukwekkende tentoonstelling als die in het Deutsches Museum niet kan tonen.

Pim Huijnen is redacteur van het Duitslandweb

  • 'Der Weltkrieg 1914 - 1918. Ereignis und Erinnerung', tentoonstelling in het Deutsches Historisches Museum in Berlijn (13 mei - 15 augustus 2004). Catalogus: Edition Minerva Hermann Farnung; € 25,-; ISBN 3-932353-89-7
  • John Horne en Alan Kramer, 'Deutsche Kriegsgreuel 1914. Die umstrittene Wahrheit', 2004; Hamburger Edition; € 40,-; ISBN 3-930908-94-8
  • Karl Hampe, 'Kriegstagebuch 1914-1919', 2004; Oldenbourg Wissenschaftsverlag; € 118,-; ISBN 3-486-56756-X

Op 3 september organiseert het DIA Graduiertenkolleg een bijeenkomst over de Eerste Wereldoorlog. Sprekers zijn prof. Gerhard Hirschfeld, prof. Maarten Brands en drs. Ismee Tames. Klik hier voor meer informatie.

Duitslandweb
feed link