© Duitsland Instituut Amsterdam Duitsland Instituut Amsterdam

Afkeer van het antifascisme

Onderzoek naar Oost-Duitse omgang met nazi-verleden

17-mei-2004Mark Schenkel

De ondergang van de DDR heeft in veel Oost-Duitse families een rehabilitatie van de oorlogsgeneratie teweeggebracht, en, gepaard daaraan, een vermindering van de kritische omgang met het nazi-verleden. Zo luidt de voornaamste conclusie van het promotieonderzoek van de Duitse sociologe Sabine Moller, naar herinneringen van Oost-Duitse families aan het nationaal-socialisme. Mollers bevindingen zijn nu in boekvorm verschenen, onder de titel 'Vielfache Vergangenheit. Öffentliche Erinnerungskulturen und Familienerinnerungen an die NS-Zeit in Ost-Deutschland'.

De cover van het boek 'Vielfache Vergangenheit' van Sabine Moller De constatering, dat veel inwoners van de voormalige DDR het Duitse nazi-verleden relativeren, is welbeschouwd niet nieuw. Talrijke studies die sinds de Wende zijn gepubliceerd, bevestigen dit beeld. Hoewel het verschijnsel niet is voorbehouden aan het Oosten (ook in de oude Bondsrepubliek doet het zich voor), treedt het hier wel sterker op dan in het Westen. Volgens de gangbare verklaring - die door Moller in het begin van haar studie op heldere wijze wordt samengevat - is dit een gevolg van de Duitse deling. De instrumentalisering van de geschiedschrijving door het totalitaire DDR-regime zou een zelfkritische omgang van de Oost-Duitse bevolking met het nazi-verleden in de weg hebben gestaan. De "antifaschistische Staatsdoktrin" van de DDR-dictatuur indoctrineerde de Oost-Duitse bevolking decennialang met het idee, dat zij het moreel betere - want: socialistische - deel van de Duitse geschiedenis representeerde. De communisten hadden zich immers altijd verzet tegen het nationaal-socialistische regime. De erfenis van Hitler werd op het konto van de 'neo-imperialistische' Bondsrepubliek bijgeschreven. Terwijl in West-Duitsland 'Auschwitz' uitgroeide tot symbool van de internalisering van het eigen schuldbesef, onthief de staatsideologie van de DDR de Oost-Duitsers van elke verantwoordelijkheid tegenover hun eigen historie. De relativering van het nazi-verleden in de voormalige DDR zou dus een erfenis zijn van de meer dan veertig jaar lang opgelegde, antifascistische staatsleer.

In haar onderzoek onderstreept Moller weliswaar het belang van deze verklaring, maar benadrukt tegelijkertijd dat het slechts een deel van de verklaring kan zijn. Zij wijst vooral op de betekenis van de nieuwe realiteit van ná de Wende, voor het Oost-Duitse nazi-beeld. De val van de Muur en de daaropvolgende revisie van de Oost-Duitse geschiedschrijving leidde begin jaren negentig tot een diskreditering van de "antifaschistische Staatsdoktrin". Als onderdeel van een totalitaire staatsideologie, die in één klap van haar legitimiteit werd ontdaan, verloor de doctrine in Oost-Duitse ogen haar geldigheid. Dat moedigde veel inwoners van de vroegere DDR aan om familieleden, die een rol hadden gespeeld in de Hitler-machinerie, en die volgens de staatsleer van de DDR als 'fout' moesten worden ingeschaald, te rehabiliteren. Was immers niet de doctrine, die hen bijna een halve eeuw lang had gedwongen zich van het verleden van hun verwanten te distantiëren, als totalitaire leugen ontmaskerd? Volgens Moller is dus de ondergang van de DDR een belangrijke oorzaak van de minder kritische omgang met het nazi-verleden in veel Oost-Duitse families.

De slachtoffers van de bombardementen op Dresden Moller baseert haar conclusies op een onderlinge vergelijking van 182 interviews, waarin 142 personen, afkomstig uit 40 families in Oost- en West-Duitsland, naar hun houding tegenover het nazi-verleden werden gevraagd. De geïnterviewden zijn verdeeld over drie generaties: de oorlogsgeneratie, haar kinderen en haar kleinkinderen. Uit de interviews blijkt, dat in de DDR een grotere discrepantie tussen het 'publieke geschiedbeeld' en de individuele herinnering bestond dan in de BRD. In de Bondsrepubliek woedde in de jaren zestig en zeventig een publiek debat over het nazi-verleden. Bovendien begon de naoorlogse generatie haar ouders in familiekring aan de tand te voelen over de Hitler-tijd. Omdat de publieke en private debatten parallel liepen, ontstond een 'publiek geschiedbeeld' dat talloze, individuele herinneringen reflecteerde, en een 'privaat geschiedbeeld' dat in het reine moest zien te komen met het 'publieke geweten'.

In de DDR-dictatuur daarentegen maakte het verbod op vrije meningsuiting een publiek debat onmogelijk. De omgang met het verleden speelde zich vooral af in de semi-private niches, waaronder de familie. Omdat er geen wisselwerking tussen publieke en private meningsvorming plaatsvond, konden de herinneringen van de Oost-Duitse oorlogsgeneratie betrekkelijk ongestoord voortleven. De uiteindelijke ondergang van de DDR en het in diskrediet brengen van de antifascistische doctrine sterkte veel oudere Oost-Duitsers in hun 'private' geschiedbeeld, waarin hen weinig blaam trof. Deze visie zou met name in de generatie van de kleinkinderen een vruchtbare voedingsbodem hebben gevonden: aangezien zij de staatsleer nauwelijks meer bewust heeft meegemaakt, wordt zij niet zo sterk als haar ouders voor het dilemma van publiek antifascisme en de overlevering van de oorlogsgeneratie geplaatst.

Samenvattend kan worden gesteld, dat de DDR een dubbelrol speelt in Mollers verklaring van de Oost-Duitse relativering van het nazi-verleden. Met haar verbod op vrije meningsuiting, bij gelijktijdige indoctrinatie van de bevolking met een 'antifascistisch geschiedbeeld', maakte de DDR het voortbestaan van vergoeilijkende herinneringen aan het nationaal-socialisme voor het eerst mogelijk. De ondergang van de 'antifascistische' DDR bevestigde vervolgens veel Oost-Duitsers in deze herinneringen, en stelde hen bovendien in staat ze voor de eerste keer publiekelijk te verkondigen. Deze conclusie werpt een interessant licht op de suggestie die Sabine Moller aan het eind van haar spannende onderzoek doet, namelijk dat de diskreditering van het antifascisme eraan bij kan dragen dat het rechts-extreme denken onderdeel wordt van het dagelijkse discours.

Mark Schenkel is student geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam en schrijft regelmatig artikelen voor het Duitslandweb. Momenteel studeert hij aan de Humboldt Universität in Berlijn.

  • Sabine Moller: 'Vielfache Vergangenheit. Öffentliche Erinnerungskulturen und Familienerinnerungen an die NS-Zeit in Ost-Deutschland' ; Edition Diskord, Tübingen 2003; 239 blz.; 15 euro. www.edition-diskord.de

Overige recensies:
Perlentaucher

Duitslandweb
feed link