- Home
- Actueel
- Selectie
-
Netwerk
- Inleiding
- Conferentie Brussel 2003
- Conferentie Brussel dag 2
- Conferentie Brussel dag 3
- Conferentie Potsdam 2002
- Conferentie Potsdam dag 2
- Conferentie Potsdam dag 3
- Conferentie Potsdam Foto's
- Bonn Winterberg 2001
- Conferentie Hannover Wolfsburg 2001
- Conferentie Keulen 2000
- Conferentie Kleef 1999
- Conferentie Gelsenkirchen 1998
- Conferentie Aken 1996
- Stipendiaten
- Framework
- Uitwisseling
- Organisatie
Meer zelfreflectie nodig (2)
Alumniconferentie Potsdam 2002
5-jun-2002
POTSDAM. Lang voordat in Nederland een politieke moord en in Duitsland een bloedbad op een middelbare school plaatsvonden, hadden de organisatoren van de halfjaarlijkse JDN-alumniconferentie vastgesteld, dat het dit keer maar eens over onszelf zou moeten gaan. Zijn journalisten nog wel opgewassen tegen de eisen van de tijd, zijn ze wel bestand tegen de groeiende kritiek op het functioneren van de media en wat doen ze met die kritiek?
Zes sprekers belichtten De toekomst van de journalistiek vanuit hun desbetreffende deskundigheid. Dr. Christoph Singelnstein, hoofdredacteur Antenne Brandenburg, Nico Haasbroek, net teruggetreden als hoofdredacteur van het NOS-journaal, Leonard Ornstein, politiek redacteur bij Vrij Nederland en sinds zeer recent het tv-programma Netwerk, Dr. Klaus-Dieter Altmeppen van het Institut für Medien- und Kommunikationswissenschaft van de Technische Universität in Ilmenau, prof. dr. Jo Bardoel verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en de Katholieke Universiteit in Nijmegen, en Lothar Bisky, PDS-fractievoorzitter in de Brandenburger Landtag en filmwetenschapper.
Haasbroek
Haasbroek begon zijn journalistieke carrière bij de VPRO als maker van wat we nu onder meer noemen interactieve radio. Als hoofdredacteur/directeur bij Radio Rijnmond maakte hij in Rotterdam dat regionale omroepstation op soortgelijke wijze tot een succes bij het grote publiek. Als hoofdredacteur van het NOS-journaal trachtte hij die rubriek met civil journalism nieuwe impulsen te geven. Dat het aantal kijkers van het Journaal de afgelopen jaren, ondanks de toegenomen concurrentie en ondanks de intrede van nieuwe media, constant bleef beschouwt Haasbroek daarom als een succes. Zijn plannen voor de nabije toekomst impliceerden: méér luisteren naar de kijker (er is te weinig kennis van het veld beschikbaar), mìnder agenda journalistiek en het signaleren van maatschappelijke trends. Maar het zogenoemde opleuken van het Journaal is hem een gruwel. Wat hij wel wilde was het Journaal vooral ook qua vormgeving creatiever aanpakken.
Altmeppen
Altmeppen van de TU in Ilmenau denkt de vraag naar de toekomst van de journalistiek het beste te kunnen beantwoorden in samenhang met ontwikkelingen in de hele maatschappij. De journalistieke organisatie geeft Altmeppen weer in de vorm van een driehoek waarbij de drie hoeken staan voor inhoud, budget en oplage (belangrijkste element). Een van de toekomstige ontwikkelingen in de journalistiek zou kunnen gaan in de richting van wat hij noemt aggregatoren d.w.z. redacteuren die hun producten voor de diverse media in databanken zetten (de Mitteldeutsche Rundfunk experimenteert daarmee). Of het die kant werkelijk opgaat hangt af van de economie. Altmeppen oppert dat de journalistiek zich in de toekomst in de volgende soorten zal opsplitsen: format journalistiek in de rtv-wereld, marketing journalistiek, rampjournalistiek, pr-journalistiek, hybride online-journalistiek (tussen info en entertainment in), vermaakjournalistiek en kwaliteitsjournalistiek. Die ontwikkeling zou gepaard kunnen gaan met een verlies aan informatiecompetentie en een verlies aan controlerende activering. Informatie gaat aldus op de keper beschouwd een zeldzaam goed worden, concludeert hij. Echter: in 1993 stond internet nog niet op de journalistieke agenda en kijk eens wat voor vlucht de nieuwe media genomen hebben. Dus hoe het werkelijk zal verlopen valt moeilijk te voorspellen.
Bardoel
Bardoel hanteert als uitgangspunt van zijn lezing dat over de toekomst van de journalistiek alleen iets te zeggen valt als je daarbij de recente geschiedenis (1960-2000) betrekt. Nederland is de laatste veertig jaar van een traditionele in een open samenleving veranderd. Een van de veranderingen is de verplaatsing van de politiek van rokerige zaaltjes naar de media. Een van de belangrijkste gevolgen van die veranderingen is dat iedereen in de media nu achter hetzelfde aanloopt en dat differentiatie naar de periferie is verdreven. Verder is er sprake van een tv-dominantie en zien we een politiek-publicitair complex ontstaan. Een verwevenheid van politiek en media, die het kritische veld van de journalistiek heeft doen inkrimpen ten gunste van een meer pragmatische journalistiek, die veel service biedt aan het politieke domein en minder en minder commentaar levert. Lang niet alle journalisten vervullen nog hun democratische waakhondfunctie. Dilemmas worden gevormd door de nieuwe communicatietechnologie (eerst overschat nu onderschat), de veranderende samenleving (A. Giddens: van emancipation-politics naar life-politics: van de traditionele, ideologie-gebonden politiek naar de slogan: je kunt nu zelf beslissen of je geboren wordt en wanneer je dood gaat en laat de politiek maar over aan de politici en als het te erg wordt rekenen we hen er wel op af). Een ander dilemma wordt gevormd door de grenzen van de professie. En met die grenzen bedoelt Bardoel dan: professie als samenzwering, als lid van het genootschap van ingewijden, waarvan de grenzen aangetast worden door de emancipatie van het publiek en door dis-intermediation (factoren - o.a. internet - die gemaakt hebben dat de journalist zijn alleenrecht kwijt is, zijn positie als lid van de elite moet opgeven en moet leren open te staan voor kritiek). Dit gaat gepaard met een paradigmawisseling, waarbij de journalist zich in plaats van op zijn artikel c.q. product meer en meer op het publiek zal moeten richten; al komt het woord publiek niet eens voor in de code van Bordeaux&..
Drie stellingen tot slot: De journalistiek moet juist - in tegenstelling tot de trend - minder praktisch en meer reflectief worden. De journalistiek moet zijn kerntaak als intermediair tussen burger en bestuur serieus gaan nemen en minder naar boven kijken en Journalisten worden overbodig en zijn juist daarom steeds meer nodig.
Bisky
Bisky maakt zich zorgen over de kwaliteit van de nieuwsvoorziening. Teveel berichten komen uit één bron. Wat nodig is is meer transparantie. Uiteindelijk zou in de toekomst alles wel eens uit één computer kunnen rollen. De functie van de publieke omroep is veranderd. We leven nu in een mediamaatschappij, wat betekent dat de invloed van die media sterker is dan die van het onderwijs. Dit impliceert dat de media bepaalde verantwoordelijkheden van het onderwijs zullen moeten overnemen. En dit betekent weer dat er meer, maar vooral ook betere media ontwikkeld zullen moeten worden. Onderzoek heeft echter uitgewezen dat méér media nog méér hóógopgeleiden ervan laten profiteren. Dus hebben de politiek en de journalistiek de plicht ervoor te zorgen dat ook de lager opgeleiden er meer hun voordeel mee kunnen doen.
Het verschijnsel Pim Fortuyn
Nico Haasbroek had nog geen week geleden ontslag genomen als hoofdredacteur van het NOS-journaal. Dat ontslag heeft alles te maken met de moord op Fortuyn. Het is daarom begrijpelijk dat Haasbroek een persoonlijk en emotioneel verhaal houdt over dat ontslag en over de gevolgen van zijn vriendschappelijke maar tevens journalistieke relatie met Pim Fortuyn. Zijn redactie verweet hem dat hij direct na de moord niet naar de redactieburelen gekomen was maar zich door een commerciële tv-zender had laten interviewen voor de woning van Pim Fortuyn (en toen bovendien voor de camera huilde). Het verwijt was ook dat hij tijdens de daarop volgende dagen onvindbaarheid zou zijn gebleven. De redactie zegde het vertrouwen in hem op en vervolgens nam Haasbroek ontslag. Haasbroek was degene die als hoofdredacteur van Radio Rijnmond Fortuyn destijds tot columnist maakte. Toen al, zegt Haasbroek, voelde Fortuyn zich miskend en koesterde hij plannen om het tot minister-president te brengen. Fortuyn had volgens Haasbroek goede ideeën en mensen mochten altijd in de uitzending reageren op de columns van Fortuyn. De vergelijking met Le Pen is onterecht. Haasbroek herkende in Pim Fortuyn de band die deze had met de onderkant van de samenleving: dat deel van de samenleving dat de regerende politici overduidelijk te weinig bleken te kennen. Ik spaar prettig gestoorde mensen, zei Haasbroek, in een goed functionerende democratie moet dat mogelijk zijn.
Ornstein
Ornstein kenschetst Fortuyn als een grappige politicus met kanten die hem minder bevielen. De media hebben inderdaad een belangrijke rol gespeeld bij het verschijnsel Pim Fortuyn. Sterker nog: de media hebben Pim Fortuyn grotendeels gemaakt. Van het blad van Milieu Defensie tot en met Harry Mens met zijn tv-programma op de commerciële zender RTL 5. Pim Fortuyn bestond niet buiten de media. Nederlandse journalisten vormen inderdaad een onderdeel van de gevestigde orde en hun functie als waakhond van de democratie zou een stuk beter kunnen, maar de demonisering van Fortuyn valt volgens Ornstein reuze mee, sterker nog, hij beschouwt dat verwijt als onzinnig. Er zijn fouten gemaakt - NOS-Journaalredacteur Job Frieszo bijvoorbeeld heeft zon fout later ook toegegeven. Politici die in voorkomende gevallen met Anne Frank kwamen aandragen reageerden ook te extreem. Omgekeerd vergeleek Fortuyn minister Borst met Bin Laden. Hij was ook geen lieverdje. Wat de advocaten Spong en Hammerstein nu doen met die aanklacht tegen politici en journalisten acht hij totale onzin. Journalisten hebben echter wèl de demonisering van Paars op hun geweten.
Migratie en integratie vormen buitengewoon gevoelige themas. VVD-politicus Bolkestein, nu EU-commissaris, balanceerde destijds met deze themas langs de rand van de afgrond. Ze zijn levensgevaarlijk en kunnen een tweedeling in de maatschappij veroorzaken als ze niet objectief en genuanceerd belicht worden. De kwestie fout/goed die in retrospectief zo duidelijk is als het gaat om de Tweede Wereldoorlog, ligt nu, bij de beoordeling van actuele gebeurtenissen, ingewikkelder. Journalisten moeten dat goed onderzoeken. Pim Fortuyn was geen racist maar wel een populist. Hij exploiteerde de onderstroom in de samenleving. De kans dat hij allerlei obscure, rechts-extremistische types zou meetrekken was levensgroot.
Discussie
Een Duitse conferentiedeelnemer voegt vanuit de zaal toe dat Nederland i.t.t. Duitsland nu de eerste keer met dergelijke politieke moorden en dus met emotionaliserung en irrationaliteit te maken krijgt. Meer is het niet. Pim Fortuyn heeft zèlf voor demon gespeeld. Dat hoort bij het spel. In Nederland zijn altijd debatten gevoerd over van horen zeggen. Nu gaat het voor het eerst over de Nederlanders zelf. Dat emancipeert. Ornstein stemt hiermee in. Er is wel gezegd dat Nederland zijn onschuld verloren heeft. Fortuyn introduceerde een nieuwe stijl van debatteren. Alles is geoorloofd, vindt ook Ornstein, maar alleen zolang de politicus respect toont jegens degene met wie hij in debat gaat. Respect betekent behoud van menselijke waardigheid. Op een beschaafde manier debatteren betekent debatteren met als uitgangspunt handhaving van de gelijkheidsgedachte. Gewezen wordt op een verschil tussen de Duitse en Nederlandse debatcultuur: er wordt in Duitsland beter gedebatteerd en gescholden. Ornstein: Nederlanders werken vanuit het pacificatiemodel van minderheden. Wij denken meteen dat ons bestel in gevaar is.
Een van de aanwezige Nederlandse journalisten die beroepshalve ervaring had met Pim Fortuyn, omschrijft hem als provo, hofnar en politicus. Soms dacht hij: ik vind je een lul, en dan weer dacht ie: ja dat zeg je wel goed. Overeenstemming is er in elk geval wel over dat de journalistiek niet verantwoordelijk is voor de dood van Fortuyn. Alhoewel een Duitse deelnemer stelt, dat de media, gezien de emoties die Fortuyn veroorzaakte, hadden moeten filteren. Iemand anders wijst er op, dat andere, min of meer omstreden politici zoals Van Agt, Aantjes of Janmaat niet zijn doodgeschoten. Ook Haasbroek deelt de mening dat de media er niet aan hebben bijgedragen, dat de moord plaatsvond. We moeten afwachten tot de motieven van Volkert v.d. G. bekend worden. Afsluitende conclusie is dat de media beter zullen moeten leren omgaan met het opkomende populisme. Journalisten zullen daarin hun weg moeten zien te vinden, zonder daarbij in reflexen te vervallen. Het is een taak voor iedereen zich af te vragen hoe je daarmee omgaat.
Lieneke van Schaardenburg werkt als docent bij de School voor Journalistiek in Utrecht en is oud-deelnemer van het Journalistenstipendium Duitsland-Nederland.
Het culturele Potsdam: De toekomst van de journalistiek (1)
Ost-West: De veranderingen in de Oostduitse journalistiek (3)