Het Duitse en Nederlandse liberalisme
Conferentieverslag
19-dec-2003
De eerste twee sprekers, prof.dr. H. Vorländer (hoogleraar Politieke Wetenschappen aan de Technische Universität Dresden) en drs. P.G.C. van Schie (directeur van de Prof.mr. B.M. Teldersstichting) benaderden de liberale stroming in Duitsland en Nederland vanuit een historisch-sociologisch perspectief. Vorländer begon zijn overzicht in het midden van de negentiende eeuw. Anders dan in Noord- en West-Europa wist het liberalisme in Duitsland zich niet tot dominante stroming te ontwikkelen - al leek het daar wel even op in de periode 1866-1877. Vorländer zoekt de verklaring voor deze zwakte vooral in de afhankelijkheid van de staat, die het Duitse liberalisme kenmerkte vanaf zijn ontstaan. Vooruitgang kwam van boven, van de overheid, en niet vanuit de samenleving (civil society). Kant en Hegel wezen politieke revolutie af. Liberale intellectuelen vonden politiek vaak 'vies' en lieten die - paradoxaal genoeg - liever over aan ambtenaren dan aan politieke partijen. Economisch liberalisme en utilisme bleven in Duitsland eveneens vrij zwak. Het Duitse liberalisme was vooral ethisch en filosofisch van aard.
Kort voor 1914 en in de jaren twintig leek dit te veranderen en won het politieke liberalisme aan invloed. Voor het eerst verbond het zich met democratie - eerder hadden de liberalen die afgewezen, ingeklemd als ze waren tussen de groeiende sociaal-democratische massabeweging en de conservatieve landadel met zijn aanhang. De bloeitijd in de Weimarrepubliek duurde echter kort; in 1933 was het liberalisme in feite dood en niet in staat tot verzet tegen de nazi's. Veel intellectuelen beschouwden het als import uit het 'westen', joods, 'egoïstisch' en vreemd aan de Duitse geest. Zelfs na 1945 aarzelden politici om zich 'liberaal' te noemen. De Freie Demokratische Partei (FDP) noemde zich pas in 1976 expliciet zo. Zij moest veel concessies doen aan de sociaal-democratische en christen-democratische opvattingen over sociale markteconomie en verzorgingsstaat.
Op politiek gebied lijkt het liberalisme tenminste sinds 1969 algemeen aanvaard, op cultureel gebied is dit niet zo duidelijk. Op economisch gebied ziet men in de jaren tachtig en negentig de invloed van reaganomics toenemen, al blijft het corporatisme in Duitsland sterk en weerbarstig. Antikapitalisme en streven naar een 'Derde Weg' tussen socialisme en kapitalisme lijkt nu wel uit de mode, ook bij Duitse intellectuelen. Nationalisme is nog - of opnieuw - een levend gedachtegoed dat een uitdaging vormt voor liberalen. De Bondsrepubliek is geleidelijk 'verwesterd' en dus liberaler geworden, maar de FDP profiteert daar weinig van.
Welk land is liberaler?
Volgens Van Schie is vaak op grond van verkiezingsresultaten gezegd dat het Nederlandse liberalisme veel sterker is dan het Duitse. Naar zijn mening behoeft deze stelling nuancering als wordt gekeken naar de tweede helft van de negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw. Weliswaar was het politieke stelsel in Nederland liberaler, maar electoraal gezien hadden de Duitse liberalen veel meer steun onder de bevolking, ook onder katholieken - zelfs ten tijde van de Kulturkampf - en arbeiders. Ook
liep de partijvorming onder liberalen in Nederland ver achter op liberalen in Duitsland. Daarnaast
hadden de Duitse liberale partijen verhoudingsgewijs meer leden dan de Nederlandse. Zelfs in de
jaren twintig, toen de politieke en economische omstandigheden, waarin de liberalen in Duitsland
moesten opereren veel zwaarder waren dan die in Nederland, hield het Duitse liberalisme zich
relatief nog goed. Pas in de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw werd het Nederlandse
liberalisme merkbaar en blijvend krachtiger dan het Duitse liberalisme.
Na de beide historische overzichten kwam de vraag aan bod hoe het liberalisme zich in theoretisch opzicht heeft ontwikkeld. Prof.dr. G. Habermann (voorzitter van de F.A. von Hayek Stichting en directeur van het Unternehmerinstitut van Arbeitsgemeinschaft Selbstständiger Unternehmen) poneerde dat in Duitsland de moderne vrijheid een gift van de staat is, en niet iets waar burgers voor gestreden hebben. Het kernmerk van het moderne Duitse liberalisme is 'geordende vrijheid' in plaats van de 'orde van de vrijheid'. De vrijheid die eeuwenlang bestond in de talrijke Duitse staatjes, was verloren gegaan met het Duitse eenwordingsproces onder leiding van Bismarck. Wat gebleven is, zijn de bijdragen van Duitse klassieke schrijvers aan de liberale theorie van de persoonlijkheid en de filosofie, met name die van Goethe, Schiller en Humboldt. Daarnaast moet de radicale kritiek - op morele gronden - van Kant op de welvaartsstaat genoemd worden.
In de praktijk ging het na het 'Kongress der Volkswirte' van 1878 snel bergaf met de Duitse liberalen. Ze konden de invoering van beschermende tarieven en werknemersverzekeringen niet tegenhouden en zijn eigenlijk nooit hersteld van die tegenslagen. In de jaren dertig verkondigden zij de dienstbaarheid van burgers aan de staat en ook de huidige liberalen zijn te vaak verdedigers van collectivistische regulering en centralisatie. Pas als de welvaartsstaat in elkaar stort, heeft een liberale renaissance weer een kans.
De vijf 'momenten'
Prof.dr. J. de Beus (hoogleraar Politicologie aan de Universiteit van Amsterdam) ging in op de ideologische ontwikkeling van het Nederlandse liberalisme, waarin hij vijf 'momenten' onderscheidde. Aan het begin ervan, in het midden van de negentiende eeuw, stonden de 'doctrinair-liberalen', die met Thorbecke als voorman de constitutionele rechtsstaat en de kapitalistische markteconomie inrichtten. Zij werden afgelost door de sociaal-liberalen, die staatsinterventie bepleitten als een derde weg tussen laissez faire
en socialisme. Tegelijkertijd - maar minder krachtig - manifesteerden de nationale liberalen zich,
met een uitgesproken nostalgische, nationalistische en orangistische politieke visie. De Beus
constateert vervolgens dat er in de periode van 1918 tot 1973 sprake was van een ideologisch vacuüm,
waaraan met de komst van Wiegel en zijn 'volksliberalisme' een einde komt - het vierde 'moment' van
de ontwikkeling van het Nederlandse liberalisme. Essentieel hierin was de kritiek op de
welvaartsstaat. Wiegel slaagde erin het liberalisme om te bouwen tot een zelfbewuste politieke
stroming. Daarbij wist hij op polariserende wijze de steun voor zijn VVD te verbreden tot delen van
de arbeidersklasse. Als de (vooralsnog) laatste fase in de ontwikkelingsgang van het liberalisme in
Nederland merkt De Beus het optreden van VVD-leider Bolkestein op in de jaren negentig. Hij typeert
dit als 'consensus-gericht liberalisme': Bolkestein keerde zich tégen de lange tijd dominante
conceptuele invulling van vrijheid als de mogelijkheid tot zelfontplooiing, maar hij creëerde
tegelijkertijd een nieuwe consensus gecentreerd rond ideeën als minimale sociale zekerheid en
beperkte immigratie.
Als derde thema stond de partijorganisatorische en electorale ontwikkeling van het naoorlogse liberalisme in Duitsland en Nederland op de agenda. Dr. D. Doering (directeur van het Liberales Institut van de F. Naumann Stiftung) schetst de naoorlogse geschiedenis van de FDP. Hij stelt daarbij vast dat het bindende element in de FDP in de jaren vijftig en vroege jaren zestig niet zozeer door het program werd gevormd, als wel door het sociale milieu: de middenklasse van de Bildungsbürger, beroepsmatig vaak ondernemers en ambtenaren.
De FDP uit die tijd was een Honoratiorenpartei, waarin de lokale elites zich thuis voelden. Toen de partij zich aan het einde van de jaren zestig op de sociaal-democratie ging oriënteren, kwam het tot een breuk met haar natuurlijke achterban - een schisma waarvan de partij zich volgens Doering nooit meer zou herstellen. De FDP noemde zich 'sociaal-liberaal' en ging een coalitie aan met de SPD. In 1983 ruilde zij de sociaal-democraten in voor de christen-democraten. In een drie-partijensysteem vormde de FDP de spil waarom de coalitievorming draaide, maar met de komst van de Groenen raakte zij die politiek cruciale scharnierpositie kwijt. In 1998 belandde de partij na bijna dertig jaar weer in de oppositie. Doering gaat daarbij uitgebreid in op de huidige positie van de FDP, die hij als een 'crisis' aanduidt. Er zou volgens hem binnen de partij geen duidelijkheid bestaan over de te voeren strategie: moet zij zich ontwikkelen tot een volks- of wellicht populistische partij, of moet zij zich aan haar liberale principes houden. Daarnaast zou het aan duidelijk leiderschap ontbreken. Ten slotte zou de FDP 'zwei Seelen in einer Brust' herbergen: anders dan in veel Europese landen zijn in de Duitse liberale partij de meer sociale en behoudende vleugel verenigd, hetgeen de slagvaardigheid en electorale aantrekkingskracht van de FDP vermindert.
Het succes van de VVD
Dr. P. Lucardie (wetenschappelijk medewerker van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen) ging in op de positie van met name de VVD in het Nederlandse partijenstelsel. Vergeleken met haar Duitse zusterpartij won de VVD een zeer sterke positie in Nederland, zowel electoraal als ideologisch. Ze nam vaker deel aan coalities dan men op grond van haar zeteltal en haar enigszins excentrische positie in het partijenstelsel - althans op sociaal-economisch gebied - zou mogen verwachten. Daarvoor zijn drie verklaringen: maatschappelijke veranderingen als ontzuiling en individualisering; effectief persoonlijk leiderschap gecombineerd met een offensieve strategie (met name Oud, Wiegel en Bolkestein); internationale en ideologische omstandigheden oftewel de tijdgeest. De tweede liberale partij in Nederland, D66, profiteerde in mindere mate van deze factoren en zou op termijn wel eens in de VVD op kunnen gaan.
De conferentie werd uitgeleid door prof.dr. F.W. Boterman (hoogleraar Moderne geschiedenis van Duitsland aan de Universiteit van Amsterdam). Hij ging daarbij vooral in op een aantal problemen die zich bij de vergelijking van het Duitse en Nederlandse liberalisme voordoen, zoals de sterk verschillende historisch-nationale contexten waarin deze stromingen zich ontwikkelden. Daarnaast pleitte hij ervoor ten behoeve van een juiste vergelijking verschillende analytische lagen te onderscheiden: het niveau van de partijorganisatie (verkiezingen, regeringscoalities, leden en dergelijke); de ideologie (vergelijking met andere politieke stromingen); en de politiek-filosofische achtergronden (mens- en maatschappijvisie). Aan de hand van deze indeling analyseerde Boterman de ontwikkeling van vooral het Duitse liberalisme, waarbij hij opmerkte dat het in tijd en ruimte zo verschillend is geweest - hetgeen de vergelijking met het liberalisme in het veel kleinere Nederland nogal bemoeilijkt. Wat betreft de politiek-filosofische traditie waarin het Duitse liberalisme staat, valt op dat deze heterogeen is samengesteld en dat daarin een dominante denker ontbreekt. Het liberalisme als ideologie is als gevolg van zijn elasticiteit en pragmatische, open karakter eveneens rijk geschakeerd, van sociaal- en doctrinair-liberalisme naar rechtsbehoudende vormen van liberalisme. Ten slotte stelde Boterman de vraag aan de orde waarom de FDP zo klein is gebleven. Naar zijn mening kwam dat in de eerste plaats doordat andere partijen - met name de christen-democraten - een aantal liberale noties hebben overgenomen. Daarnaast heeft het verzet van de FDP na de Tweede Wereldoorlog tegen de sociale markteconomie hierbij een rol gespeeld.
Mark van de Velde is wetenschappelijk medewerker van de Teldersstichting.
Organisatie: Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (RUG) en Prof. mr. B.M.
Teldersstichting
Datum:19 december 2003
Plaats: Ubbo Emmiuszaal (RUG)
De conferentie werd mede mogelijk gemaakt door het Duitsland Programma Hoger Onderwijs.