© Duitsland Instituut Amsterdam Duitsland Instituut Amsterdam

Duits-Nederlandse militaire samenwerking

Conferentieverslag

10-okt-2003

Precies veertig jaar geleden wisselden Duitsland en Nederland een militaire basis met elkaar: Nederlandse militairen werden in Seedorf gelegerd, Duitse militairen in het Limburgse Budel. Hoewel Nederland in dit jubileumjaar aankondigde zich uit Seedorf terug te trekken, bereikte de samenwerking een nieuw hoogtepunt toen de Duitse Bundeswehr en de Nederlandse landmacht - sinds 1995 samenwerkend in het Duits-Nederlandse Legerkorps - een groot deel van dit jaar gezamenlijk het bevel voerden over de vredesoperatie ISAF in Afghanistan. Reden voor de Stichting Maatschappij en Krijgsmacht om op 9 oktober 2003 een aantal deskundigen en belangstellenden bijeen te komen om de Duits-Nederlandse militaire samenwerking eens nader tegen het licht te houden. Hoe succesvol is die eigenlijk?

Sico van der Meer

De Duitse ambassadeur in Nederland, Edmund Duckwitz Na een openingswoord van de Duitse ambassadeur in Nederland, Edmund Duckwitz, waarin hij pleitte voor het openhouden van de Nederlandse legerbasis in Seedorf en voor meer gezamenlijke materieelaankopen, hield defensiedeskundige en voormalig PvdA-parlementariër Harry van den Bergh een historische inleiding. De militaire samenwerking tussen Nederland en Duitsland heeft altijd te lijden gehad onder gebrek aan financiële middelen, zo stelde hij. Toen Duitsland na de Tweede Wereldoorlog met diverse westerse landen ging samenwerken, liet Nederland verstek gaan. De Nederlandse politiek richtte de militaire inspanningen voornamelijk op Nederlands-Indië. Voor militaire aanwezigheid in Duitsland was geen geld.

Succes uit armoede
Ook in de latere jaren van de Koude Oorlog, toen Nederland haar eigen plaats op de Noord-Duitse laagvlakte had in de anti-communistische verdedigingsplannen, was geld een probleem. Volgens Van den Bergh zijn Nederlandse troepen nooit in staat geweest om op tijd hun taken in Duitsland te kunnen vervullen als het Oostblok zou hebben aangevallen, simpelweg omdat er niet genoeg geld voor werd uitgetrokken. "De Nederlandse ambities zijn altijd veel groter geweest dan de financiële consequenties die daaraan werden verbonden. Nederland gebruikte grote woorden, maar leverde weinig inspanningen." De sluiting van Seedorf uit bezuinigingsoverwegingen past ook wonderwel in dit beeld.

Het logo van het Nederlands-Duitse Army Corps in Afghanistan Het Duits-Nederlandse Legerkorps, officieel van start gegaan in 1995, is echter wel een succesvol project gebleken. Opvallend, aldus Van den Bergh, omdat het vooral een project is dat uit armoede is geboren. De voornaamste reden voor de oprichting van het gezamenlijke legerkorps lag opnieuw op het financiële vlak: samenwerken bespaart geld. De samenwerking binnen het Legerkorps is zonder meer goed verlopen, maar had volgens hem nog veel succesvoller kunnen zijn. De Duits-Nederlandse samenwerking had een voortrekkersrol binnen het Europese Veiligheids- en Defensiebeleid (EVDB) kunnen spelen en een voorbeeldfunctie kunnen vervullen voor de andere Europese landen. Maar in zowel Nederland als Duitsland heeft de politieke wil voor zo'n voortrekkersrol altijd ontbroken. Van den Bergh: "Het Duits-Nederlandse Legerkorps is vooral een voorbeeld van hoe we zouden móeten samenwerken op Europees niveau." Meer dan een voorbeeld is het echter nooit geworden.

Dienstplichtigenleger
Ulrich vom Hagen, verbonden aan het Sozialwissenschaftliches Institut der Bundeswehr (SOWI), gaf vervolgens een overzicht van de publieke opinie in Duitsland over militaire onderwerpen. Opvallend was niet zozeer dat er onder de Duitse bevolking brede steun bestaat voor het leger en de missies die het uitvoert, maar vooral ook dat het 'ouderwetse' karakter ervan gewaardeerd wordt: een ruime meerderheid is voorstander van de dienstplicht. Dat is des te opvallender omdat militaire deskundigen het er vrijwel allemaal over eens zijn dat de Bundeswehr juist door het dienstplichtsysteem niet de kwaliteit heeft die van een modern leger verwacht zou mogen worden. Gezien de publieke gehechtheid aan de dienstplicht, is het echter de vraag of de Duitse politiek op korte termijn een begin zal maken met de modernisering van de krijgsmacht die eigenlijk nodig is om mee te kunnen blijven komen op Europees niveau.

Eveneens opvallend is de nog altijd bestaande kloof tussen Oost- en West-Duitsland. Oost-Duitsers zijn veel terughoudender in het Duitse buitenland- en defensiebeleid, terwijl de meeste West-Duitsers voor een meer actieve opstelling zijn. In het oosten is de steun voor deelname aan militaire missies in het buitenland dan ook minder dan in het westen.

Problemen in het veld
Een ISAF-militair op patrouille in Kabul, Afghanistan De grote test voor de Duits-Nederlandse samenwerking was het recente gezamenlijke bevel over ISAF, de internationale troepenmacht in Afghanistan. Sjo Soeters, hoogleraar aan de Koninklijke Militaire Academie, presenteerde onderzoek dat hij in Afghanistan had uitgevoerd naar de ervaringen van de (Nederlandse) ISAF-militairen. "Negentig procent van de samenwerking verliep prima, maar er waren ook problemen", aldus Soeters. In grote lijnen waren alle militairen, zowel Duitsers als Nederlanders, positief over de samenwerking. Wel stuitte Soeters onmiddellijk op de standaard stereotypen: Nederlanders vinden Duitsers te gefixeerd op werken, werken en werken, terwijl Duitsers verbaasd zijn over de Nederlandse ontspannenheid, het voortdurende improviseren en de vanzelfsprekendheid om overal over in discussie te gaan. Maar er waren ook echte klachten. De Nederlanders voelden zich in Afghanistan achtergesteld bij hun Duitse collega's. Zo kregen ze hun post later, hadden ze slechtere huisvesting, kregen ze minder op hun smaak toegesneden voedsel en mochten ze minder alcohol drinken dan de Duitsers. Hoewel het details lijken, betreft het wel belangrijke, telkens terugkerende onderdelen uit het dagelijks leven van de uitgezonden militairen. Zulke details kunnen dus wel degelijk grote invloed hebben op de sfeer van de samenwerking. Soeters verklaarde de klachten met de term 'KLM-syndroom'. Zoals we niet willen dat de kleine luchtvaartmaatschappij KLM wordt overheerst door een grotere partner, zo willen Nederlandse militairen niet ondergeschikt lijken ten opzichte van hun in grotere aantallen aanwezige Duitse collega's. "Zodra er een meerderheids-minderheidsdynamiek ontstaat, waarbij de Nederlanders zich de minderheid achten, krijgen ze het gevoel de controle te verliezen", aldus Soeters.

Samen werken, apart wonen?
Het betoog van Soeters leidde tot verschillende reacties van militairen in het publiek, die zo hun eigen ervaringen en visies hadden over de samenwerking in Afghanistan. Luitenant-kolonel Van Campen, bijvoorbeeld, had in Afghanistan ervaren dat er ook fundamentelere problemen waren geweest tussen de Duitsers en de Nederlanders. Het ging daarbij vooral om de prioriteiten op veiligheidsgebied. Als Nederlandse militairen constateerden dat hun veiligheid kon worden verbeterd, wilden ze de betreffende maatregelen meteen nemen, maar de Duitsers hadden wat dat betreft een veel lager tempo. Volgens Van Campen hadden dergelijke kwesties een veel grotere invloed op de samenwerkingsgevoelens dan de door Soeters genoemde 'two-can-rule' - ISAF-militairen mochten maar twee blikjes bier per dag drinken, maar in tegenstelling tot de Nederlanders hielden de Duitsers zich daar totaal niet aan.

Kolonel Van Winckelmolen stelde dat dit soort samenwerkingsproblemen niet specifiek Duits-Nederlands zijn, maar in ieder multi-nationaal samenwerkingsverband voorkomen. Samenwerken in het veld verloopt altijd wel goed, maar samen wonen in hetzelfde kamp is door de cultuurverschillen moeilijker. Hij wekte de indruk dat militaire samenwerking wellicht minder spanningen zou geven als de militairen ieder een eigen kampement hebben, waar ze naar hun eigen culturele maatstaven kunnen leven.

Een interessante toevoeging kwam ook van adjudant-onderofficier Van Veldhoven. Volgens hem ervaren veel Nederlandse onderofficieren dat Duitse officieren weinig respectvol omgaan met ondergeschikten. In de Nederlandse militaire cultuur heerst veel minder een rangen- en standencultuur, maar meer een overlegcultuur waarin iedereen elkaar respecteert, ongeacht rang. Dergelijke professionele verschillen zorgen ervoor dat de samenwerking niet altijd even positief wordt ervaren, al benadrukte ook hij dat het in grote lijnen allemaal prima verliep in Afghanistan.

Onzekere toekomst?
De overdracht van de missie in Kabul, 11 augustus 2003 De afsluitende discussie van het symposium stond vooral in het teken van de toekomst. Wat betekenden alle bevindingen van de sprekers nu voor de Duits-Nederlandse militaire samenwerking? De overheersende mening was dat deze samenwerking al is ingehaald door het eigen succes. Zoals diverse aanwezigen benadrukten, is het Duits-Nederlandse Legerkorps al nauwelijks meer echt Duits-Nederlands te noemen. Op het gezamenlijke hoofdkwartier werken militairen uit veel meer landen samen. En ook tijdens een missie als ISAF werd met veel meer landen samengewerkt dan alleen met elkaar. Waar amper tien jaar geleden het bilaterale karakter van de militaire samenwerking nog opzienbarend was, is die samenwerking tegenwoordig al uitgegroeid tot multilateraal niveau. Het Duits-Nederlandse Legerkorps is in feite slechts een - zeer succesvolle - tussenstap in het proces van verdere militaire integratie. Natuurlijk, zo werd gesteld, valt er altijd wel wat te verbeteren aan concrete samenwerkingsfacetten tijdens operaties, maar dat betreft slechts details. In grote lijnen blijft het een succesverhaal.

De enige echte kanttekening die werd geplaatst, betrof het verschil tussen maatschappij en krijgsmacht. Op het professionele niveau van de militairen bestaat weliswaar veel animo voor verdere internationale integratie, maar op het politieke en publieke niveau lijkt het nog niet zo ver. Het Europese Veiligheids- en Defensiebeleid is daar een goed voorbeeld van: dat komt maar niet van de grond, omdat er toch altijd weer politieke geschillen blijken te zijn over waar en hoe Europa militair actief zou moeten zijn - een kwestie waarover ook de publieke opinies in de verschillende landen niet eensgezind zijn. Symposiumvoorzitter Lily Sprangers, zakelijk directeur van het Duitsland Instituut, vatte de discussie terecht samen met de stelling dat militairen enthousiaster zijn over internationale samenwerking dan politici. En, voegde zij er veelzeggend toe, het zijn nog altijd de politici die over dergelijke samenwerking beslissen, niet de militairen.

Sico van der Meer is medewerker van de Stichting Maatschappij en Krijgsmacht.

Organisatie: Stichting Maatschappij en Krijgsmacht
Datum: 9 oktober 2003
Plaats: Sociëteit de Witte, Den Haag

Deze conferentie werd mogelijk gemaakt met behulp van het Duitslandprogramma voor Hoger Onderwijs.

Duitslandweb
feed link